Het Melchizedeks priesterschap is binnen De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen het hogere van de twee priesterschappen, naast het Aäronisch priesterschap. Volgens de leer van de Kerk vertegenwoordigt het priesterschap het gezag en de macht van God, waarmee mensen in zijn naam kunnen handelen. Het Melchizedeks priesterschap omvat onder meer het gezag om kerkelijke leiding te geven, bepaalde godsdienstige verordeningen te verrichten en priesterschapszegens te verlenen.
Het priesterschap is genoemd naar Melchizedek, een priester en koning die in de Hebreeuwse Bijbel wordt genoemd. Binnen de theologie van de heiligen der laatste dagen wordt aangenomen dat dit priesterschap al in de oudheid bestond en in 1829 door de apostelen Petrus, Jakobus en Johannes aan Joseph Smith en Oliver Cowdery werd verleend. De huidige organisatie, met vijf verschillende priesterschapsambten, ontwikkelde zich gedurende de eerste jaren na de stichting van de Kerk in 1830.
De naam van het priesterschap verwijst naar de Bijbelse figuur Melchizedek, die in Genesis 14:18–20 wordt beschreven als koning van Salem en priester van God, de Allerhoogste. Volgens dit verhaal zegende Melchizedek de aartsvader Abraham, die hem vervolgens een tiende van zijn bezittingen gaf.
In Psalm 110:4 wordt gesproken over een priester voor eeuwig naar de orde van Melchizedek. Deze passage wordt in het Nieuwe Testament aangehaald en verder uitgewerkt in de Brief aan de Hebreeën, vooral in de hoofdstukken 5–7.
De schrijver van de Hebreeënbrief beschrijft Jezus Christus als hogepriester naar de orde van Melchizedek en onderscheidt zijn priesterschap van het Levitische priesterschap, dat verbonden was aan de nakomelingen van Aäron. Binnen deze nieuwtestamentische uitleg is Christus' priesterschap eeuwig en niet afhankelijk van erfelijke afstamming.
De heiligen der laatste dagen verbinden deze Bijbelse passages met hun opvatting dat God door de geschiedenis heen priesterschapsgezag aan profeten en andere dienaren heeft verleend.
Volgens Leer en Verbonden, een van de heilige geschriften van de Kerk, droeg het hogere priesterschap oorspronkelijk de naam 'het heilig priesterschap naar de orde van de Zoon van God'. Uit eerbied voor Gods naam zou het later naar Melchizedek zijn genoemd (Leer en Verbonden 107:2–4).
Binnen deze theologie wordt aangenomen dat het Melchizedeks priesterschap onder meer door Adam, Abraham, Mozes en de apostelen van Jezus Christus werd gedragen. Het wordt beschouwd als een priesterschap dat niet alleen met de oudtestamentische priesterschapstraditie verbonden is, maar ook met het gezag dat Christus volgens het Nieuwe Testament aan zijn apostelen verleende.
Volgens de geloofsleer van de heiligen der laatste dagen ging het oorspronkelijke priesterschapsgezag na de dood van Jezus Christus en zijn apostelen door een algemene afval van het christelijk geloof verloren. De Kerk leert dat dit gezag in de negentiende eeuw opnieuw werd verleend aan Joseph Smith, de grondlegger van de beweging van de heiligen der laatste dagen.
Smith en Oliver Cowdery verklaarden dat zij op 15 mei 1829 het Aäronisch priesterschap van Johannes de Doper ontvingen. Volgens hun latere verslagen verschenen ook de apostelen Petrus, Jakobus en Johannes aan hen en verleenden hun het hogere priesterschapsgezag.
De precieze datum van deze tweede gebeurtenis is niet bekend. De verschillende historische verslagen plaatsen de vermeende verschijning in de loop van 1829, maar de beschikbare bronnen maken een nauwkeurige datering niet mogelijk.
Bij de officiële stichting van de Kerk op 6 april 1830 werden Joseph Smith en Oliver Cowdery als ouderlingen erkend. In de daaropvolgende jaren ontstond geleidelijk een uitgebreidere priesterschapsorganisatie, met verschillende ambten en bestuurlijke verantwoordelijkheden.
In juni 1831 werden tijdens een conferentie in Kirtland (Ohio) verschillende mannen tot het hogepriesterschap geordend. Later werden ook afzonderlijke quorums, presidiums en kerkelijke raden ingesteld.
De formele onderscheiding tussen het Aäronisch en het Melchizedeks priesterschap werd in 1835 vastgelegd in een openbaring die tegenwoordig is opgenomen in Leer en Verbonden 107. In hetzelfde jaar werden ook het Quorum der Twaalf Apostelen en het Quorum der Zeventig georganiseerd.
Historisch onderzoek laat zien dat de terminologie en de organisatorische betekenis van het priesterschap zich tussen 1829 en 1835 geleidelijk ontwikkelden. De benaming Melchizedeks priesterschap werd pas in 1835 formeel gebruikt voor het hogere priesterschap.
Het Melchizedeks priesterschap kent binnen De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen vijf ambten: ouderling, hogepriester, patriarch, zeventiger en apostel. Elk ambt kent eigen verantwoordelijkheden. Ordening tot een priesterschapsambt moet worden onderscheiden van een kerkelijke roeping of bestuurlijke functie.
Ouderling is het eerste ambt binnen het Melchizedeks priesterschap. Mannelijke kerkleden kunnen vanaf hun achttiende jaar tot ouderling worden geordend, mits zij aan de kerkelijke voorwaarden voldoen.
Ouderlingen hebben onder meer het gezag om priesterschapszegens te geven, zieken te zalven en, met de vereiste toestemming, de gave van de Heilige Geest door handoplegging te verlenen en anderen tot priesterschapsambten te ordenen.
Het priesterschapsambt van ouderling is niet hetzelfde als een bestuurlijke functie. Een ouderling kan verschillende kerkelijke roepingen vervullen, zonder dat zijn priesterschapsambt daardoor verandert.
Een hogepriester is een drager van het Melchizedeks priesterschap die tot het ambt van hogepriester is geordend. Binnen de Kerk worden onder meer bisschoppen, ringpresidenten en bepaalde andere leidinggevenden tot dit ambt geordend.
Hogepriesters hebben het gezag om de taken van een ouderling uit te oefenen en kunnen daarnaast functies vervullen waarvoor het ambt van hogepriester vereist is.
Niet iedere hogepriester heeft een leidinggevende roeping. Het ambt blijft behouden wanneer een dergelijke roeping eindigt.
Een patriarch is een hogepriester die tot het afzonderlijke priesterschapsambt van patriarch is geordend en geroepen is om patriarchale zegens te geven.
Een patriarchale zegen is binnen de Kerk een persoonlijke godsdienstige zegen, waarin onder meer geestelijke raad wordt gegeven en iemands afstamming binnen het huis van Israël wordt aangeduid.
Patriarchen worden doorgaans aan een ring, een kerkelijk bestuursgebied bestaande uit meerdere gemeenten, toegewezen.
Een zeventiger is een ambtsdrager die vooral werkzaam is in de algemene of gebiedsgebonden leiding van de Kerk. De benaming verwijst naar de zeventig discipelen die volgens Lucas 10:1 door Jezus werden uitgezonden.
Zeventigers ondersteunen onder meer het werk van het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf Apostelen. Zij houden zich bezig met het toezicht op kerkelijke activiteiten, de ondersteuning van plaatselijke leiders en de verbreiding van het evangelie.
Apostel is een priesterschapsambt dat binnen de Kerk verbonden is met de hoogste bestuurs- en onderwijstaken. Apostelen worden beschouwd als bijzondere getuigen van Jezus Christus.
De leden van het Quorum der Twaalf Apostelen worden tot apostel geordend. Samen met het Eerste Presidium dragen zij de verantwoordelijkheid voor de wereldwijde leiding van de Kerk.
Hoewel apostel een afzonderlijk priesterschapsambt is, worden apostelen in het Engels doorgaans aangesproken met de titel Elder (ouderling). Deze aanspreektitel wordt ook gebruikt voor andere algemene autoriteiten en mannelijke voltijdzendelingen.
Binnen de kerkelijke leer wordt onderscheid gemaakt tussen priesterschapsgezag en priesterschapssleutels.
Priesterschapsgezag wordt volgens de Kerk door ordening en handoplegging aan een man verleend. Daarmee krijgt hij het recht om bepaalde godsdienstige taken en verordeningen uit te voeren, binnen de grenzen van zijn ambt en onder leiding van de bevoegde priesterschapsleiders.
Priesterschapssleutels zijn volgens deze leer het recht om het gebruik van priesterschapsgezag binnen een bepaald verantwoordelijkheidsgebied te leiden. Niet iedere priesterschapsdrager bezit dergelijke sleutels.
Onder meer ringpresidenten, bisschoppen, zendingspresidenten en quorumpresidenten ontvangen bij hun aanstelling sleutels die bij hun bestuurlijke verantwoordelijkheden behoren.
De president van de Kerk wordt beschouwd als de presiderende hogepriester en is volgens de kerkelijke leer als enige bevoegd om alle priesterschapssleutels op aarde uit te oefenen. De leden van het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf Apostelen dragen eveneens de sleutels van het priesterschap, maar oefenen deze uit onder leiding van de kerkpresident.
Een quorum is binnen De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen een georganiseerde groep priesterschapsdragers met bepaalde gezamenlijke verantwoordelijkheden. Quorums worden doorgaans geleid door een president en twee raadgevers.
Iedere wijk van de Kerk heeft een ouderlingenquorum. Dit bestaat uit ouderlingen, toekomstige ouderlingen en de meeste hogepriesters die in de wijk wonen.
Het quorum houdt zich bezig met geestelijk onderwijs, onderlinge ondersteuning, het welzijn van kerkleden en de uitvoering van plaatselijke kerkelijke taken.
Het quorumpresidium werkt samen met het bisschap en het presidium van de ZHV (Zustershulpvereniging), de vrouwenorganisatie van de Kerk.
Op ringniveau bestaat een hogepriestersquorum. Hiertoe behoren onder meer de leden van het ringpresidium, de bisschappen, de hoge raad en de ringpatriarch.
Andere hogepriesters nemen doorgaans deel aan het ouderlingenquorum in hun eigen wijk.
Op algemeen kerkelijk niveau bestaan onder meer het Quorum der Twaalf Apostelen en de quorums der Zeventig. Deze organen hebben vooral taken op het gebied van kerkelijk bestuur, onderwijs en zendingswerk.
Volgens de leer van de Kerk omvat het Melchizedeks priesterschap het gezag om verschillende godsdienstige verordeningen en zegens te bedienen.
Tot deze verordeningen en handelingen behoren onder meer:
De Kerk leert dat deze verordeningen hun betekenis ontlenen aan het gezag van Jezus Christus. Het ontvangen van het Melchizedeks priesterschap gaat bovendien gepaard met een religieus verbond, aangeduid als de eed en het verbond van het priesterschap (Leer en Verbonden 84:33–44).
Binnen De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen wordt onderscheid gemaakt tussen het ontvangen van het priesterschap door ordening en het uitoefenen van gedelegeerd priesterschapsgezag. Alleen mannen kunnen tot een ambt in het Aäronisch of Melchizedeks priesterschap worden geordend. Het Melchizedeks priesterschap kan doorgaans vanaf achttienjarige leeftijd worden ontvangen.
Volgens de leer van de Kerk kunnen zowel mannen als vrouwen priesterschapsgezag uitoefenen wanneer zij onder leiding van bevoegde priesterschapsleiders worden aangesteld in een kerkelijke roeping of een specifieke taak krijgen toegewezen. Een vrouw die bijvoorbeeld als presidente van de ZHV (Zustershulpvereniging) wordt aangesteld, ontvangt daarmee het priesterschapsgezag om die organisatie binnen haar verantwoordelijkheidsgebied te leiden. Ook vrouwelijke zendelingen en andere kerkelijke functionarissen kunnen gedelegeerd priesterschapsgezag uitoefenen bij het vervullen van hun taken.
Dit gedelegeerde gezag is verbonden aan de betreffende roeping of taak en eindigt wanneer iemand daarvan wordt ontheven. Het verschilt daarmee van de ordening tot een priesterschapsambt, die uitsluitend aan mannen wordt verleend en niet automatisch eindigt wanneer een kerkelijke functie wordt beëindigd.
Gedurende een groot deel van de geschiedenis van de Kerk golden beperkingen voor mannen van zwarte Afrikaanse afkomst. Hoewel in de eerste jaren van de Kerk enkele zwarte mannen tot priesterschapsambten werden geordend, werd onder leiding van Brigham Young in 1852 een beleid ingevoerd waardoor mannen van deze afkomst niet langer tot het priesterschap werden toegelaten.
Deze beperkingen hadden ook gevolgen voor de deelname van zwarte kerkleden aan bepaalde tempelverordeningen.
In juni 1978 kondigde kerkpresident Spencer W. Kimball aan dat voortaan alle mannelijke kerkleden die aan de kerkelijke voorwaarden voldeden, ongeacht hun afkomst, tot het priesterschap konden worden geordend. Deze wijziging werd vastgelegd in Officiële verklaring 2, die deel uitmaakt van Leer en Verbonden.
De Kerk heeft later afstand genomen van vroegere verklaringen waarin de beperkingen werden gerechtvaardigd door veronderstellingen over ras, huidskleur of een goddelijke vervloeking.
Hoewel de term Melchizedek in verschillende christelijke tradities voorkomt, kent het begrip Melchizedeks priesterschap binnen De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen een specifieke organisatorische en theologische betekenis.
Binnen het rooms-katholicisme en de oosters-orthodoxe kerken wordt het priesterschap in verband gebracht met Christus als eeuwige hogepriester naar de orde van Melchizedek. Het gewijde ambt wordt daar echter anders opgevat en georganiseerd.
In veel protestantse tradities wordt op grond van de Hebreeënbrief benadrukt dat Jezus Christus de enige eeuwige hogepriester is. De opvatting van een afzonderlijk, door handoplegging overgedragen Melchizedeks priesterschap met verschillende ambten wordt daar doorgaans niet gedeeld.
Het specifieke onderscheid tussen een Aäronisch en een Melchizedeks priesterschap is daarmee kenmerkend voor de priesterschapsleer van de beweging van de heiligen der laatste dagen.