| Rijpmos | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Grauw rijpmos (Physconia grisea) | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||||
| Physconia Poelt (1965) | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Rijpmos (Physconia) is een geslacht van korstmossen uit de familie Physciaceae. Het zijn bladvormige korstmossen met een grijze tot bruine kleur en vaak een opvallende witte berijping op de bovenkant. De soorten groeien voornamelijk op de schors van loofbomen, maar sommige komen ook op steen voor. Ze leven in symbiose met groene algen uit de groep Trebouxia of verwante algen.
Het thallus is bladvormig en ligt dicht tot tamelijk los tegen het substraat. Het vormt ronde rozetten of onregelmatige plakkaten die met elkaar kunnen samengroeien. De afzonderlijke lobben zijn doorgaans minder dan 3 mm breed en variëren van dofgrijs tot donkerbruin. De bovenkant is mat tot licht glanzend en meestal bedekt met een witachtige berijping (pruina), vooral aan de uiteinden van de lobben. Langs de lobranden ontbreken haarachtige uitsteeksels (ciliën).
De onderzijde is witachtig tot donkerbruin of zwart. Het korstmos is met wortelachtige hechtorganen (rhizinen) aan het substraat bevestigd. Deze zijn afhankelijk van de soort licht of donker en kunnen enkelvoudig, rafelig of flessenborstelachtig vertakt zijn. Sommige soorten vormen sorediën, waarmee zij zich vegetatief kunnen voortplanten.
De bovenste schorslaag (cortex) bestaat uit min of meer ronde cellen of uit dicht verweven schimmeldraden (hyfen). De bouw van deze laag verschilt tussen de soorten en is van belang bij de determinatie.
De apotheciën bevinden zich op het oppervlak van het thallus. Ze hebben een bruine, meestal wit berijpte schijf met daaromheen een blijvende thallusrand. Deze rand kan naar binnen gebogen zijn en soms kleine lobben of sorediën dragen.
De asci zijn achtsporig en van het Lecanora-type. De ascosporen zijn bruin, dikwandig, fijn wrattig en hebben één dwarswand (septum). Kenmerkend is de sterk verdikte, brede dwarswand, terwijl aan de uiteinden van de sporen geen dergelijke verdikking aanwezig is. Deze bouw wordt aangeduid als het Physconia-type.
Ongeslachtelijke sporen (conidiën) ontstaan in kleine pycnidiën, die in het thallus verzonken liggen of kleine wratjes vormen. De conidiën zijn kleurloos, staafvormig en ongesepteerd.
Rijpmossen groeien voornamelijk op basenrijke of met voedingsstoffen verrijkte schors van loofbomen, vooral op goed belichte plaatsen. Ze worden onder meer aangetroffen op laanbomen, in parken en langs bosranden. Sommige soorten groeien ook op kalkhoudende stenen, muren en grafmonumenten.
De soorten verschillen in hun voorkeur voor groeiplaatsen. Zo komt grauw rijpmos (Physconia grisea) ook voor op voedselrijke, stoffige boomschors en kalkhoudende muren. Duinrijpmos (Physconia perisidiosa) groeit vooral op de schors van loofbomen, waaronder esdoorn, es en iep, en wordt soms ook op oude muren aangetroffen.
Het geslacht werd in 1965 beschreven door de Oostenrijkse lichenoloog Josef Poelt in het tijdschrift Nova Hedwigia. Als typesoort werd Physconia pulverulenta aangewezen.
De naam Physconia pulverulenta wordt niet in alle taxonomische databanken op dezelfde manier behandeld. De Nederlandse NDFF Verspreidingsatlas en de British Lichen Society beschouwen deze naam als een synoniem van Physconia distorta. Species Fungorum vermeldt Physconia pulverulenta daarentegen als actuele naam.
Het geslacht werd vroeger binnen een ruimere opvatting van Physcia behandeld. Het onderscheidt zich daarvan onder meer door de vaak wit berijpte lobben en de bouw van de ascosporen. Bij Physconia is vooral de dwarswand sterk verdikt, terwijl bij Physcia verdikkingen aan de uiteinden van de sporen kunnen voorkomen.
De familie Physciaceae wordt in moderne classificaties, waaronder Species Fungorum, tot de orde Caliciales gerekend. De Nederlandse NDFF Verspreidingsatlas vermeldt voor dit geslacht nog de orde Lecanorales.
Volgens de BLWG worden in Nederland vier soorten onderscheiden: