Kegelvrucht (naaldboom)

Kegelschub van rijpe vrouwelijke kegel
Vorming umbo en apofyse

Een kegelvrucht of zaadkegel is bij coniferen meestal een met schubben afgezette verhoutende vrouwelijke kegel of strobilus met zaadknoppen of pitten. Het gaat dus niet om een vrucht zoals die bij de bedektzadigen uit een vruchtbeginsel gevormd wordt.

In het eerste jaar heeft de kegel dekschubben en zaadschubben. De dekschubben zijn ten tijde van de bestuiving onopvallend en groeien, in tegenstelling tot de zaadschubben, niet verder uit. De zaadschubben ontwikkelen zich verder, maar de kegel blijft nog relatief klein. In het tweede jaar vindt een sterke groei van de vrouwelijke kegel plaats. De zaadschub zwelt sterk op en verlengt, waardoor de uiteindelijke kegelschub ontstaat. De twee zaadknoppen ontwikkelen zich tot zaden en aan de buitenzijde van de zaadschub wordt de apofyse duidelijker en het distale gedeelte vormt de umbo. De apofyse bestaat uit een verdikt, vaak ruitvormige deel aan de buitenzijde. Op de apofyse zit de umbo. Dit is het distale gedeelte van de zaadschub en is het oudere gedeelte van de zich ontwikkelende zaadschub. Aan het uiteinde van de schub kan een haakvormig of puntig uitsteeksel zitten, de mucro.

Voorkomen

De vruchtkegel van dennensoorten wordt dennenappel genoemd, ook wel "pijnappel" of "mastappel", "mastetoppe" (naar de vroegere naam van de grove den, mastboom of pijnboom) of "prop" in het West-Brabants dialect. De zwaarste kegelvrucht wordt voortgebracht door de Pinus coulteri ((en) Coulter Pine), een naaldboom die groeit in de bergen in de kustgebieden van Zuid-Californië en Neder-Californië. Ze kunnen tot 40 cm lang worden en 5 kilo wegen. Om die reden worden deze kegelvruchten ook wel 'widowmakers' genoemd. De langste kegel is die van de suikerden, die tot 45 cm lang kan worden. Een kegelvrucht heeft hygroscopische schubben: bij vochtig weer sluiten de schubben en bij droog weer openen ze. De zaden liggen open tussen de schubben in plaats van in een gesloten vrucht. De rijpe kegel blijft intact en de rijpe zaden vallen tussen de schubben uit. Er zitten vliesjes (vleugels) aan de zaden van een den, zodat de zaden zich kunnen verplaatsen door middel van de wind. Een pijnboompit is een zaad van een den.

Bij de zilverspar (Abies) heeft staande kegels. De zaden komen vrij doordat de kegel bij rijpheid uit elkaar valt en de spil op de tak blijft staan.

Bij de fijnspar (Picea) hangen de kegels.

Bij Juniperus komen schijnbessen voor. Deze schijnbessen zijn gereduceerde kegelvruchten.

Bij uitzondering heeft een naaldboom bessen, onder andere de venijnboom (Taxus baccata), die rode bessen vormt.

Bestuiving

Levenscyclus

Het door de wind verspreide stuifmeel, gevormd door de mannelijke kegel, heeft meestal twee luchtzakjes. Bij veel Pinus-soorten vindt de bestuiving plaats in het voorjaar van het eerste jaar. Het stuifmeel vindt zijn weg tussen de dekschubben van de vrouwelijke kegels – die tijdens de bloeiperiode wijd openstaan – en helemaal naar beneden glijden tot aan de basis van de zaadknoppen. De generatieve cel van het stuifmeel vormt twee spermacellen. Pas ongeveer een jaar na de bestuiving bereikt de pollenbuis een archegonium en wordt in het tweede jaar een embryo gevormd. De dekschubben zijn ten tijde van de bestuiving onopvallend en groeien, in tegenstelling tot de zaadschubben, niet verder uit. De vrouwelijke kegel rijpt vervolgens verder en wordt een houtige dennenkegel met zaden.

Zie de categorie Conifer cones van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.