Vruchtschil

Vruchtschil bij de appel

De vruchtschil of vruchtwand is de buitenste laag van een vrucht. Deze kan uit een dun vel bestaan (zoals bij appels, perziken, tomaten, druiven of aalbessen), leerachtig (zoals bij citrusvruchten) of zelfs houtachtig zijn (zoals bij noten). Verder kan de vruchtschil wasachtig (appels, pruimen), behaard (perzikken, kiwi's), wrattig (sopropo) of stekelig (doerian, gehoornde meloen) zijn.

Bij de appel bestaat de schil van buiten naar binnen uit een waslaag, cuticula, epidermis en hypodermis. In de vruchtschil zitten lenticellen.

Bij de aalbes en tafeldruif wordt de dunne schil ook opgegeten en vaak ook bij de appel.

Een vrucht met een dikke schil, zoals een citrusvrucht, wordt een 'hesperidium' genoemd. Bij een hesperidium wordt de binnenste laag (het 'albedo', in de volksmond ook wel de 'witte laag' of 'merg' genoemd) samen met de buitenste laag (het 'flavedo') verwijderd; tezamen vormen zij de schil. Het flavedo en het albedo komen respectievelijk overeen met het exocarp en het mesocarp. De sappige laag aan de binnenzijde van de schil (waarin zich de zaden bevinden) is het endocarp. Het flavedo is de gekleurde laag van de vrucht en is voorzien van een cuticula en dicht opeengepakte parenchymcellen. Deze laag bevat bovendien talrijke olieklieren. De parenchymcellen bevatten chloroplasten, die verantwoordelijk zijn voor de groene kleur van onrijpe vruchten; naarmate de vrucht rijpt, veranderen deze in chromoplasten, waardoor de vrucht een gele of oranje tint krijgt. Daaronder bevindt zich het mesocarp (albedo), dat wit en sponsachtig is. De mate waarin het albedo – evenals de tussenschotten (septa) van het vruchtbeginsel – degenereert, varieert per soort. Hierdoor zijn sommige citrusvruchten gemakkelijk te pellen en in afzonderlijke partjes te verdelen.

Botanisch gezien kan de schil uitsluitend uit het exocarp bestaan, of het gehele pericarp kan vergroeien tot een schaal (zoals bij noten het geval is). Diverse voedingsstoffen, zoals vitaminen en sporenelementen, komen in hogere concentraties voor in en direct onder de schil.