| Pomone | ||||
|---|---|---|---|---|
| Oorspronkelijke taal | Frans | |||
| Componist | Robert Cambert | |||
| Libretto | Pierre Perrin | |||
| Eerste opvoering | 3 maart 1671 | |||
| Plaats van eerste opvoering | Jeu de paume de la Bouteille, Parijs | |||
| ||||
Pomone is een opera van de Franse componist Robert Cambert en dichter Pierre Perrin. De opera werd voor het eerst opgevoerd in 1671 te Parijs. Het werk wordt beschouwd als de eerste Franse opera.
In de jaren 50 van de 17e eeuw had kardinaal Mazarin de Italiaanse opera geïntroduceerd aan het Franse koninklijk hof. Toen Lodewijk XIV in 1660 koning werd, nam de populariteit van het genre echter af: het hof had een voorkeur voor toneel (dat vaak vergezeld ging van muziek) en ballet.
Pierre Perrin kreeg op 28 juni 1669 een concessie om twaalf jaar lang een operagezelschap, de Académies d’opéra, te exploiteren.
Aanvankelijk wilden Perrin en Cambert openen met Ariane, ou Le mariage de Bacchus, met een libretto van Perrin en muziek van Cambert. Er werd vijf maanden lang geoefend.
Begin december begonnen Perrin en Cambert echter aan een nieuwe opera: Pomone. Ze besloten dat dit de opera werd die bij de opening moest worden opgevoerd. Ook werden Alexandre de Rieux, markies van Sourdéac, en de vermogende Laurent Bersac (ook wel Champeron genoemd) bij de onderneming betrokken: zij verzorgden de financiële ondersteuning.
De repetities vonden in 1670 onder andere plaats in het Parijse Hôtel de Nevers. De tennisbaan Jeu de paume du Béquet werd afgehuurd om daar de publieke voorstellingen te gaan organiseren, maar politiefunctionaris La Reynie verbood het om deze tennisbaan voor dit doel te gebruiken. Sourdéac en Champeron wisten uiteindelijk op 8 oktober een andere tennisbaan, namelijk Jeu de paume de la Bouteille, af te huren. Deze tennisbaan werd vervolgens vijf maanden lang verbouwd door Henri Guichard, zodat er een echt theater ontstond.
Intussen was zanger Pierre Monier naar het zuiden van Frankrijk gestuurd om daar nieuwe zangers te rekruteren. Twee van hen waren François Beaumavielle en Bernard Clédière.
De première van Pomone vond plaats op 3 maart 1671. De opera werd een succes en zou uiteindelijk acht maanden draaien, met 146 uitvoeringen. Muziekcritici waren lovend over de muziek en speciale effecten, maar ze waren minder te spreken over de kwaliteit van de teksten. Tot de toeschouwers behoorden Filips van Orléans en zijn dochter Marie Louise; de koning zelf echter heeft de opera nooit bijgewoond.

Een deel van het publiek veroorzaakte problemen. Het ging hierbij om het personeel van het koninklijk hof: zij waren gewend om gratis naar theateruitvoeringen te mogen en wilden dus zonder kaartje naar binnen. Uiteindelijk moest er bewaking aan te pas komen om hen tegen te houden. Ook vaardigde de politie op 23 mei een verordening uit waarin overtreders zouden worden veroordeeld tot de galeien.
Ondanks dat de opera succesvol was en goed geld opleverde, ontstonden er financiële problemen. De zangers klaagden in juni dat hun loon niet was uitbetaald; intussen staken Sourdéac en Champeron de meeste winst in hun eigen zakken. Ook waren er klachten over wangedrag door Sourdéac, Champeron en zijn broer Fondant richting de zangeressen.
Perrin kreeg uiteindelijk alle klappen: hij kreeg uitstel van betaling van de koning, maar werd op 15 juni 1671 alsnog gearresteerd vanwege zijn schulden. Toen hij op 17 augustus vrij kwam, moest hij gedwongen de concessie doorverkopen. Op 29 augustus belandde hij echter opnieuw in de gevangenis. Uiteindelijk kwam hij pas vrij toen hij eind maart 1672 de concessie voor de Académies d’opéra aan de componist Jean-Baptiste Lully had overgedragen. Per 1 april 1672 werden alle opera-opvoeringen door Perrins theater verboden.
Nu Lully de macht in handen had en alle operauitvoeringen in Parijs verzorgde, was er voor Cambert geen plek meer. Hij week uit naar Londen en voerde daar in 1674 in Whitehall Pomone op. Ook verzorgde hij een aangepaste versie van Pomone in Windsor voor koning Karel II. In Frankrijk zelf werd de opera in 1687 nogmaals opgevoerd, maar dan in Nantes door het gezelschap van Sieur d'Aumont. Op 29 september 1753 was er ook nog een uitvoering in de Muntschouwburg te Brussel.
Bij de première op 3 maart 1671 waren er vijf zangers en vier zangeressen, ondersteund door een koor van vijftien personen. Het orkest bestond uit dertien musici. De dansers waren allemaal mannen.
De rolverdeling was als volgt:
| Rol | Toelichting | Stemtype | Gezongen door |
|---|---|---|---|
| Pomone | godin van het fruit | Marie-Madeleine Jossier | |
| Vertumne | god van de herfst | bariton/haute-contre | François Beaumavielle |
| Beroë | voedster | Catherine Suptille | |
| Faune | god van de dorpelingen en geliefde van Pomone | bariton | Pierre Rossignol |
| Apollo | god | haute-contre | Bernard Clédière |
| Flore | godin van de bloemen en zus van Pomone | ||
| Le Dieu des Jardins | geliefde van Pomone | ||
| Juturne | nimf | ||
| Venilie | nimf |
Het verhaal begint in het Louvre: de nimf van de Seine vraagt aan Vertumne, de Romeinse god van de herfst, wat hij van de Seine vindt. Hij antwoordt met een lofzang op koning Lodewijk XIV en noemt hem de nieuwe Mars, terwijl Parijs het nieuwe Rome is. Vertumne geeft vervolgens aan dat hij een verhaal uit oude tijden wil vertellen.

Vervolgens ontvouwt zich het verhaal waarin Vertumne probeert Pomone, godin van het fruit, te verleiden. Dit doet hij door zich te verkleden: eerst verschijnt hij als de goden Pluto en Bacchus en uiteindelijk als Pomones voedster Beroë. Uiteindelijk geeft Pomone toe, waarna de twee met elkaar trouwen.
De opera is geschreven als een pastorale. Alleen de ouverture, proloog en de eerste twee aktes zijn bewaard gebleven, aktes 3 tot en met 5 zijn verloren gegaan. Mogelijk is dit te wijten aan Lully, die probeerde te voorkomen dat de partituur in zijn geheel werd afgedrukt. Cambert zou het manuscript uiteindelijk hebben meegenomen naar Londen, waarna het verloren is gegaan.
De aktes waren als volgt ingedeeld:
De verhaallijn is vrij eenvoudig, maar bood veel mogelijkheden voor theatrale effecten. Ontwerper Alexandre de Rieux, markies van Sourdéac, kon zich dan ook uitleven met donder, bliksem, rondvliegende acteurs en metamorfoses van personages. Daarnaast was er ruimte voor een groots decor.
De muziek werd opgeluisterd met ballets, verzorgd door Antoine des Brosses met choreografie van Pierre Beauchamp.