

Resupinaat is een term uit de mycologie die een groeiwijze van het vruchtlichaam van een schimmel beschrijft. Een resupinaat vruchtlichaam ligt plat tegen het substraat en is daarmee over zijn gehele onderzijde verbonden. Het hymenium, de sporenproducerende laag, bevindt zich aan de vrije, naar buiten gerichte zijde van het vruchtlichaam. Er wordt geen afzonderlijke, van het substraat afstaande hoed gevormd.
De term is afgeleid van het Latijnse resupinus, dat onder meer 'achterovergebogen' of 'op de rug liggend' betekent.
Resupinate vruchtlichamen groeien doorgaans als korsten, vliezen of plakkaten over de ondergrond. Ze kunnen zeer dun zijn, maar ook dikkere, kussenvormige structuren vormen. De vorm en grootte worden mede bepaald door het oppervlak waarop ze groeien.
Het hymenium kan verschillende structuren vertonen, waaronder:
De resupinate groeiwijze komt daardoor niet alleen voor bij korstzwammen, maar ook bij bepaalde buisjeszwammen en stekelzwammen.
Bij veel resupinate steeltjeszwammen bestaat het vruchtlichaam uit verschillende weefsellagen. Aan de buitenzijde bevindt zich het hymenium met basidiën en eventueel steriele cellen, zoals cystiden. Daaronder ligt het subhymenium, een laag van hyfen waaruit de hymeniale elementen ontstaan.
Aan de substraatzijde kan een subiculum aanwezig zijn, een laag hyfen die doorgaans evenwijdig aan het substraat verlopen. Bij soorten met poriën of stekels kan daarnaast een trama worden onderscheiden, die de structuur van het hymenofoor ondersteunt. De aanwezigheid en ontwikkeling van deze weefsels verschillen per soort.
Resupinate vruchtlichamen komen vooral voor op hout, zoals stammen, stronken en afgestorven takken. Ze ontwikkelen zich dikwijls aan de onderzijde van liggend dood hout, waar de vruchtbare laag naar beneden is gericht. Ook op schors en andere vaste substraten kunnen dergelijke vruchtlichamen ontstaan.
Veel soorten met deze groeiwijze zijn saprotroof en dragen bij aan de afbraak van dood organisch materiaal. Andere soorten zijn parasitair of hebben een andere ecologische levenswijze. De term resupinaat heeft uitsluitend betrekking op de vorm en aanhechting van het vruchtlichaam en zegt niets over de voedingswijze van de schimmel.

In de beschrijving van schimmelvruchtlichamen worden verschillende verwante termen gebruikt:
Bij effuus-reflexe vruchtlichamen is dus slechts een gedeelte resupinaat. Deze overgangsvorm komt onder meer bij verschillende houtbewonende plaat- en korstvormige zwammen voor.
Resupinaat is een morfologische aanduiding en geen taxonomische eenheid. Soorten met resupinate vruchtlichamen behoren tot uiteenlopende orden en families binnen de Basidiomycota.
Vooral veel corticioïde schimmels bezitten deze groeiwijze. Moleculair-fylogenetisch onderzoek heeft echter aangetoond dat corticioïde schimmels geen natuurlijke, afzonderlijke afstammingsgroep vormen. De overeenkomst in vruchtlichaamvorm is in verschillende evolutionaire lijnen onafhankelijk ontstaan.
Enkele schimmels met resupinate vruchtlichamen zijn:
In de plantkunde heeft de term resupinaat een andere betekenis. Daar wordt hij gebruikt voor bloemen of andere plantendelen die tijdens hun ontwikkeling van stand veranderen door een draaiing van ongeveer 180 graden. Dit verschijnsel, resupinatie, komt onder meer voor bij veel orchideeën, waarbij de bloemlip door de draaiing aan de onderzijde komt te liggen.