Trama is in de mycologie het inwendige, overwegend steriele weefsel van het vruchtlichaam van een schimmel. Het bestaat voornamelijk uit hyfen (schimmeldraden) die de structuur van het vruchtlichaam vormen. In brede betekenis is trama een synoniem van het vlees of de context van een paddenstoel. In engere betekenis wordt de term vooral gebruikt voor het weefsel binnen de hymenofoor, zoals de lamellen, buisjes en stekels.
Het woord is afkomstig van het Latijnse trāma, dat onder meer 'inslagdraad' of 'weefsel' betekent. De naam verwijst naar de onderling verweven schimmeldraden waaruit het weefsel is opgebouwd.
Bij paddenstoelen wordt onderscheid gemaakt tussen de trama en het hymenium, de vruchtbare weefsellaag waarin de sporenvormende basidiën of asci zich bevinden. De trama vormt het ondersteunende weefsel waarop het hymenium zich ontwikkelt. Direct onder het hymenium bevindt zich doorgaans een overgangslaag, het subhymenium.
Afhankelijk van de plaats in het vruchtlichaam worden verschillende typen trama onderscheiden:
De term context wordt vooral gebruikt bij de beschrijving van het vlees van een vruchtlichaam, terwijl trama veel wordt toegepast bij de beschrijving van de microscopische weefselstructuur. Beide begrippen overlappen echter en zijn niet strikt van elkaar gescheiden.
Bij plaatjeszwammen wordt het inwendige weefsel van de lamellen de lamellentrama genoemd. Deze bevindt zich tussen de hymeniale lagen aan weerszijden van een lamel. De rangschikking van de hyfen binnen deze trama vormt een belangrijk microscopisch kenmerk bij de determinatie en classificatie van paddenstoelen.
Op basis van de oriëntatie van de hyfen worden verschillende typen lamellentrama onderscheiden:
Naast deze hoofdtypen worden in de mycologische literatuur verschillende tussenvormen en gespecialiseerde weefselstructuren onderscheiden. De precieze bouw van de trama kan bovendien veranderen tijdens de ontwikkeling van het vruchtlichaam.
De microscopische bouw van de trama wordt gebruikt als kenmerk bij de determinatie van paddenstoelen. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de richting, vorm, afmetingen en onderlinge rangschikking van de hyfen.
Voor het bestuderen van de lamellentrama wordt doorgaans een dunne dwarsdoorsnede van een lamel gemaakt. Omdat de bouw van de trama binnen één lamel kan verschillen, wordt bij voorkeur het middelste gedeelte van een volgroeide lamel onderzocht.
Onderzoek naar de hymenoforale trama heeft bijgedragen aan de taxonomische indeling van plaatjeszwammen. Zo beschreven G.A.C. Douwes en J.A. von Arx in 1965 de microscopische bouw van de trama bij 24 soorten steeltjeszwammen, waarbij verschillen in hyfenstructuur tussen verschillende groepen werden vastgesteld.