Rickenella

Rickenella
Rickenella fibula (oranjegeel trechtertje)
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota
Klasse:Agaricomycetes
Orde:Hymenochaetales
Familie:Rickenellaceae
Geslacht
Rickenella
Raithelh. (1973)
Typesoort
Rickenella fibula
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

Rickenella is een geslacht van kleine, voornamelijk tussen mossen groeiende schimmels uit de familie Rickenellaceae, behorend tot de orde Hymenochaetales. De soorten vormen doorgaans kleine, trechtervormige vruchtlichamen met een dunne steel en aflopende lamellen. Ze zijn vaak geel, oranje of bruinachtig gekleurd en hebben een nauwe ecologische relatie met mossen.

De typesoort van het geslacht is het oranjegeel trechtertje (Rickenella fibula). Het geslacht werd in 1973 beschreven door de Duitse mycoloog Jörg Raithelhuber, die de soorten onderscheidde van verwante geslachten zoals Omphalina en Gerronema.

Taxonomie

Het geslacht Rickenella werd oorspronkelijk op basis van morfologische kenmerken onderscheiden. Verschillende soorten werden vroeger ingedeeld bij geslachten zoals Omphalina, Mycena en Gerronema.

Moleculair fylogenetisch onderzoek heeft aangetoond dat Rickenella behoort tot de orde Hymenochaetales, ondanks de gelijkenis van de vruchtlichamen met kleine plaatjeszwammen uit de orde Agaricales. In oudere classificaties werd het geslacht onder meer tot de Repetobasidiaceae gerekend. Tegenwoordig wordt het doorgaans in de familie Rickenellaceae geplaatst.

De precieze afbakening van de Rickenellaceae en de verwantschappen met andere geslachten binnen de Hymenochaetales zijn onderwerp van moleculair onderzoek. Sommige traditioneel onderscheiden soorten vertonen weinig morfologische verschillen, terwijl DNA-onderzoek genetisch afzonderlijke lijnen laat zien.

Kenmerken

Macroscopische kenmerken

De vruchtlichamen zijn meestal klein en teer, met een hoed die bij veel soorten slechts enkele millimeters tot ongeveer anderhalve centimeter breed wordt.

De hoed is aanvankelijk gewelfd tot klokvormig en ontwikkelt vaak een centrale indeuking of navelvormige verdieping. Het oppervlak is doorgaans hygrofaan en kan bij opdrogen verbleken. De hoedrand is vaak doorschijnend gestreept.

De lamellen staan betrekkelijk ver uiteen, zijn breed aangehecht tot duidelijk aflopend en meestal lichter gekleurd dan de hoed.

De steel is centraal geplaatst, dun en relatief lang in verhouding tot de hoeddiameter. Het oppervlak van hoed en steel kan onder een loep fijn behaard lijken. Deze beharing wordt veroorzaakt door uitstekende, haarachtige cystiden.

Microscopische kenmerken

Sporen

De basidiosporen zijn doorgaans ellipsoïde tot langwerpig of enigszins cilindrisch, glad, dunwandig en hyalien. Ze zijn niet amyloïd en niet dextrinoïde. De afmetingen verschillen per soort.

Basidiën

De basidiën zijn meestal knotsvormig tot smal knotsvormig en doorgaans viersporig.

Cystiden

Kenmerkend zijn de vaak langgerekte, flesvormige tot knotsvormige cystiden. Deze kunnen voorkomen aan de lamelsnede (cheilocystiden), op de lamelvlakken (pleurocystiden), op de hoedhuid (pileocystiden) en aan het steeloppervlak (caulocystiden).

Vooral de pileocystiden en caulocystiden kunnen boven het oppervlak uitsteken en zorgen dan voor de fijne beharing van de vruchtlichamen. De vorm, afmetingen en aanwezigheid van deze structuren zijn van belang bij de determinatie.

Hyfen

De hyfen zijn gesepteerd. Bij verschillende soorten komen gespen voor. De hoedhuid bestaat uit hyfen waartussen de pileocystiden aanwezig kunnen zijn.

Ecologie

Soorten van Rickenella groeien voornamelijk tussen levende mossen, zowel op de bodem als op bemoste houtresten en boomstammen. Ze komen voor in onder meer bossen, graslanden, bermen en andere mosrijke vegetaties.

De ecologische relatie met mossen is complex. Sommige soorten worden als saprotroof beschouwd, maar er zijn ook aanwijzingen voor nauwere, mogelijk parasitaire of symbiotische relaties. Het geslacht omvat soorten met verschillende voedingswijzen. Onderzoek aan stabiele isotopen en moleculaire gegevens heeft bij de Hymenochaetales een grotere ecologische verscheidenheid aangetoond dan vroeger werd aangenomen.

Verspreiding

Het geslacht heeft een ruime geografische verspreiding. Soorten zijn bekend uit Europa, Azië en andere werelddelen. Sommige soorten zijn wijdverspreid, terwijl andere slechts uit een beperkt aantal gebieden zijn beschreven. Zo zijn Rickenella indica en Rickenella umbelliformis onderzocht in Azië.

In Nederland komen in elk geval twee algemeen voorkomende soorten voor:

Beide soorten worden onder andere aangetroffen in loof- en naaldbossen, graslanden en de grijze duinen.

Soorten

Volgens Species Fungorum worden de volgende twaalf soorten tot het geslacht gerekend:

De taxonomische indeling is niet volledig uitgekristalliseerd. Zo werd Rickenella umbelliformis in 2024 als nieuwe soort beschreven op basis van morfologische kenmerken en DNA-onderzoek aan materiaal uit Zuid-Korea. De onderzoekers vonden daarnaast aanwijzingen voor nog onbeschreven soorten binnen het geslacht.