| Rosa longicuspis | ||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||||||
| Rosa longicuspis Bertol. (1861) | ||||||||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||
Rosa longicuspis is een struik of klimplant uit de rozenfamilie (Rosaceae). De roos komt van nature voor in bergachtige gebieden van India en China en wordt ook als sierplant gebruikt. De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1861 gepubliceerd door de Italiaans arts en botanicus Antonio Bertoloni (standaardafkorting Bertol.) in de botanische publicatiereeks Miscellanea Botanica (deel 21, pagina 15). De soortaanduiding longicuspis is een samenstelling van de Latijnse woorden longus (lang) en cuspis (scherpe punt) en verwijst naar de bladvorm.
Rosa longicuspis is een groenblijvende rambler- of liaanroos die 1,5 tot 9 meter hoog kan worden. Ze behoort tot de sectie Synstylae binnen het geslacht Rosa. Jonge stengels hebben een gladde, glanzende roodachtige schors en zijn bezaaid is met korte, stevige stekels. Het blad bestaat meestal uit zeven spitse, eivormige of elliptische, donkergroene, glanzende blaadjes, die stug en leerachtig zijn. Jonge blaadjes hebben een bronzen gloed. De roos bloeit van mei tot juli in trossen van 15 of meer bloemen aan lange steeltjes, die tot 3,5 cm lang kunnen worden. De enkelvoudige bloemen, die uit gele knoppen opengaan, zijn wit, ongeveer 4 cm breed en hebben soms zijdezachte haartjes aan de buitenkant van de bloembladen. Ze verspreiden een subtiele geur die aan bananen doet denken. De rozenbottels hebben een doffe oranjerode kleur en zijn bijna bolvormig. De roos is winterhard tot -23 °C.
Het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soort strekt zich uit van Assam tot Zuid-Centraal-China en Myanmar.