| Goudgele russula | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Goudgele russula (Russula aurea) | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Russula aurea Pers. (1796) | ||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||
| ||||||||||||
| ||||||||||||
De goudgele russula (Russula aurea, synoniem: Russula aurata) is een schimmel uit de familie Russulaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen, voornamelijk loofbomen. Hij is herkenbaar aan de opvallend goudgele, oranje tot rode hoed, de vaak citroengele snede van de lamellen en de witachtige steel die plaatselijk geel kan verkleuren. Het is een eetbare russula met een milde smaak.
De hoed heeft een diameter van 4 tot 10 cm. Hij is aanvankelijk halfbolvormig tot gewelfd, later uitgespreid en bij oudere exemplaren vaak enigszins ingedeukt in het centrum. De hoedkleur is variabel en bestaat uit mengelingen van goudgeel, oranjegeel, oranjerood en vermiljoenrood. Soms is de hoed vrijwel geheel geel of rood. De kleuren kunnen vlekkerig verdeeld zijn, waarbij het centrum dikwijls donkerder is.
De hoedhuid is bij vochtig weer enigszins kleverig en glanzend, maar bij droog weer mat. Ze kan ongeveer tot de helft van de hoedstraal worden afgetrokken. De hoedrand is aanvankelijk glad en kan op oudere leeftijd licht gegroefd zijn.
De lamellen staan betrekkelijk dicht opeen en zijn breed, broos en soms gevorkt, vooral nabij de steel. Ze zijn aanvankelijk bleekcrème tot lichtgeel en worden later geelachtig tot okerkleurig. Kenmerkend is de vaak citroen- tot chroomgele lamelsnede, die duidelijk kan contrasteren met de lichtere lamelvlakken. Deze gele verkleuring is echter niet bij alle exemplaren even sterk ontwikkeld.
De steel is 4 tot 9 cm lang en 1 tot 3 cm dik. Hij is cilindrisch, soms enigszins verbreed aan de bovenzijde of versmald naar de basis. De kleur is aanvankelijk witachtig, maar kan later plaatselijk een citroengele tot goudgele tint krijgen. Het oppervlak is glad tot fijn gerimpeld. De steel is aanvankelijk stevig en gevuld, maar wordt met het ouder worden brozer en sponsachtig van binnen. Een ring ontbreekt.
Het vlees is wit, onder de hoedhuid vaak geelachtig. Het is aanvankelijk stevig, maar wordt later broos. De geur is zwak of vrijwel afwezig en de smaak is mild, soms enigszins nootachtig.
De sporenprint is geel tot donker okerkleurig. Volgens de kleurenschaal van Romagnesi ligt de kleur doorgaans in het okergele tot gele bereik (ongeveer IIIc–IVb).
De sporen zijn vrijwel bolvormig tot breed ellipsoïde en meten ongeveer 7,5–10 × 6–8 µm. Ze bezitten een opvallende ornamentatie van grove, amyloïde wratten, die ongeveer 0,5–1,5 µm hoog kunnen zijn. De wratten zijn gedeeltelijk door ribben verbonden, waardoor onvolledige netvormige structuren of langgerekte kammen ontstaan.
De basidiën zijn knotsvormig, doorgaans viersporig en ongeveer 35–52 × 11–16 µm groot. Cheilocystiden zijn spoelvormig, soms met een kleine apicale uitstulping, en meten ongeveer 50–90 × 7–12 µm. De pleurocystiden hebben een vergelijkbare vorm en komen verspreid voor.
De pileipellis (houdhuid) bestaat uit vertakte, gesepteerde hyfen met ongeveer cilindrische tot versmalde eindcellen. De bovenste hyfen liggen enigszins uiteen door gelatinisatie. Kenmerkend is het ontbreken van pileocystiden (dermatocystiden) en geïncrusteerde primordiale hyfen. Dit onderscheidt de goudgele russula van verschillende andere rood- en geelhoedige russula's.
Het vlees vertoont de volgende reacties:
Vooral de sterke guajakreactie kan bij het determineren behulpzaam zijn.
De goudgele russula vormt ectomycorrhiza met verschillende boomsoorten. Hij groeit vooral in loofbossen en gemengde bossen, onder andere bij beuk (Fagus sylvatica), eik (Quercus) en tamme kastanje (Castanea sativa). Minder vaak wordt hij aangetroffen bij naaldbomen, waaronder spar (Picea) en zilverspar (Abies).
De soort verschijnt afzonderlijk of in kleine groepen op de bosbodem. Hij wordt vooral gevonden op warmere standplaatsen en vormt vruchtlichamen van de vroege zomer tot in de herfst, voornamelijk tussen juli en oktober.
De goudgele russula heeft een ruime verspreiding in Europa en is ook uit delen van Azië en Noord-Amerika gemeld. Binnen Europa komt hij onder meer voor in Midden- en Zuid-Europa. In Groot-Brittannië en Ierland wordt de soort betrekkelijk weinig gevonden, terwijl hij in verschillende Zuid-Europese gebieden vaker voorkomt.
In Vlaanderen is de soort met zekerheid vastgesteld. Hij is opgenomen in de Standaardlijst van Basidiomycota en Myxomycota van Vlaanderen en het Brussels Gewest onder de naam Russula aurea, met Russula aurata als synoniem.
De goudgele russula kan met verschillende rood- of geelhoedige russula's worden verward.
Voor de herkenning van de goudgele russula is vooral de combinatie van rood-oranje en goudgele hoedkleuren, de vaak citroengele lamelsneden, de milde smaak en het ontbreken van pileocystiden van belang.
De soort werd in 1796 door Christiaan Hendrik Persoon beschreven onder de naam Russula aurea. In 1838 publiceerde Elias Magnus Fries de naam Russula aurata. Omdat de naam van Persoon ouder is, heeft Russula aurea volgens de regels van de botanische nomenclatuur prioriteit.
De soortaanduidingen aurea en aurata zijn afgeleid van het Latijnse aurum (goud), een verwijzing naar de goudgele kleur die vaak op de hoed, de lamelsneden en de steel voorkomt.
De goudgele russula wordt als eetbaar beschouwd en heeft een milde smaak. Vooral in Zuid-Europa wordt hij als consumptiepaddenstoel gewaardeerd. Zoals bij andere russula's is een betrouwbare determinatie noodzakelijk, omdat meerdere roodhoedige soorten sterk op elkaar lijken.