Abrikozenrussula

Abrikozenrussula
Abrikozenrussula (Russula risigallina)
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota
Klasse:Agaricomycetes
Orde:Russulales
Familie:Russulaceae
Geslacht:Russula
Soort
Russula risigallina
(Batsch) Sacc. (1915)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De abrikozenrussula (Russula risigallina) is een schimmel uit de familie Russulaceae. Deze betrekkelijk kleine russula vormt ectomycorrhiza met loofbomen, voornamelijk eiken (Quercus) en beuk (Fagus sylvatica). Hij groeit vooral in houtwallen, lanen en loofbossen op zand-, leem- en kleigrond. De soort valt op door de variabele hoedkleur, die uiteenloopt van geel en abrikoosoranje tot roze of roodachtig, en door het donkergele sporenpoeder.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed heeft doorgaans een diameter van 2 tot 5 cm, soms tot 6 cm. Aanvankelijk is deze bolvormig tot gewelfd, later uitgespreid en uiteindelijk vaak enigszins ingedeukt. De hoed is dunvlezig en breekbaar. De kleur is zeer variabel en kan goudgeel, abrikoosgeel, oranjegeel, rozerood of zalmroze zijn. Soms vertoont de hoed verschillende kleuren tegelijk, bijvoorbeeld een geel centrum met een roze of roodachtige rand. Bij vochtige omstandigheden is het oppervlak enigszins glanzend, terwijl het bij droog weer mat tot fijn fluwelig wordt. De hoedhuid is grotendeels tot vrijwel geheel aftrekbaar. De hoedrand is aanvankelijk glad en bij oudere exemplaren vaak enigszins gegroefd.

Lamellen

De lamellen zijn aangehecht en staan aanvankelijk vrij dicht opeen, later vaak verder uiteen. Ze zijn aanvankelijk witachtig tot crèmekleurig en worden bij rijping goudgeel tot oranjegeel. Ze zijn dun en breekbaar. De lamelsnede heeft dezelfde kleur als de rest van de lamel. Tussenlamellen ontbreken doorgaans. Nabij de aanhechting kunnen dwarsverbindingen tussen de lamellen voorkomen.

Steel

De steel is ongeveer 3 tot 6 cm lang en 0,6 tot 1,5 cm dik. Hij is cilindrisch, soms enigszins versmald naar de basis en aanvankelijk gevuld, maar wordt bij het ouder worden vaak hol. Het oppervlak is wit tot iets gelig en kan bij aanraking of veroudering bruinachtige vlekken krijgen. De steel is betrekkelijk slank en breekbaar.

Vlees, geur en smaak

Het vlees is wit, dun en kwetsbaar. De smaak is mild en niet scherp. Jonge vruchtlichamen zijn vrijwel geurloos, maar oudere exemplaren kunnen een aangename fruitige of bloemige geur ontwikkelen, die met verwelkte rozen, mirabellen of abrikozen wordt vergeleken.

Sporenpoeder

De sporenafdruk is donkergeel tot oranjegeel, doorgaans IVd op de schaal van Romagnesi. Ook IVe wordt in de literatuur vermeld. De intens gele kleur van het sporenpoeder is een belangrijk kenmerk bij het onderscheiden van deze soort van andere kleine, geelgekleurde russula's.

Microscopische kenmerken

De sporen zijn breed ellipsoïd tot bijna bolvormig en meten volgens Angeli ongeveer 7,5–9 × 6–7 µm. Ze bezitten een amyloïde ornamentatie die bestaat uit grotendeels afzonderlijke wratten, waarvan sommige door fijne verbindingen met elkaar zijn verbonden.

De basidiën zijn knotsvormig, viersporig en meten ongeveer 42–53 × 11–15 µm. De sterigmata kunnen 10–13 µm lang worden. De cystiden zijn spoelvormig, met afgeronde of toegespitste uiteinden, en meten ongeveer 45–70 × 10–14,5 µm.

De hoedhuid bevat cilindrische tot knotsvormige, soms vertakte en gesepteerde eindcellen. Daarnaast komen verspreid geïncrusteerde, gesepteerde primordiale hyfen voor. Deze hyfen zijn een belangrijk microscopisch determinatiekenmerk. Dermatocystiden ontbreken in de hoedhuid.

Chemische reacties

Met guajak reageert het vlees volgens Angeli doorgaans zwak en langzaam. De cystiden en bepaalde melkvoerende hyfen kleuren donker bij behandeling met sulfobenzaldehyde. De incrustaties op de primordiale hyfen van de hoedhuid kunnen met carbolfuchsine zichtbaar worden gemaakt.

Ecologie

De abrikozenrussula vormt ectomycorrhiza met loofbomen, voornamelijk eiken (Quercus) en beuken (Fagus). De soort groeit op de grond in houtwallen, singels, lanen en loofbossen. Hij wordt aangetroffen op zand-, leem- en kleibodems.

De vruchtlichamen verschijnen voornamelijk in de zomer en herfst, alleenstaand of in kleine groepen. De soort wordt vooral bij loofbomen aangetroffen, maar uit het buitenland zijn ook vondsten bij naaldbomen bekend.

Verspreiding

De abrikozenrussula komt in verschillende delen van Europa voor.

In Nederland is de soort volgens de Nederlandse Mycologische Vereniging vrij zeldzaam. Hij wordt onder meer aangetroffen in gebieden met loofbossen, houtwallen en lanen. Op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 staat hij in de categorie 'Thans niet bedreigd'.

Gelijkende soorten

Door de grote variatie in hoedkleur kan de abrikozenrussula worden verward met verschillende andere russula's. Vooral geelgekleurde exemplaren zijn lastig te herkennen.

De combinatie van een klein, breekbaar vruchtlichaam, een milde smaak, geel tot oranjegele lamellen, donkergeel sporenpoeder en geïncrusteerde primordiale hyfen in de hoedhuid is kenmerkend voor de abrikozenrussula.

Vanwege de variabele uiterlijke kenmerken is microscopisch onderzoek vaak noodzakelijk voor een betrouwbare determinatie. Ook de NDFF Verspreidingsatlas vermeldt dat microscopische controle nodig is voor een zekere determinatie.

Taxonomie

De soort werd oorspronkelijk door August Johann Georg Karl Batsch beschreven als Agaricus risigallinus. De huidige wetenschappelijke combinatie Russula risigallina werd in 1915 gepubliceerd door de Italiaanse mycoloog Pier Andrea Saccardo.

Een bekend synoniem is Russula chamaeleontina Fr. Deze naam werd ook in oudere Nederlandse mycologische literatuur gebruikt. In de Nederlandse standaardlijst van 1984 werd de soort onder deze naam vermeld. Daarnaast is Russula lutea in het verleden ten onrechte voor deze soort gebruikt.

Zie de categorie Russula risigallina van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.