Simón de Anda

Simón de Anda
Simón de Anda
Geboren 28 oktober 1709
Subijana de Álava
Overleden 30 oktober 1776
Cavite
Land Spanje
Beroep militair, rechterBewerken op Wikidata
47e Gouverneur-generaal van de Filipijnen
(de facto)
Aangetreden 6 oktober 1762
Einde termijn 10 februari 1764
Voorganger Manuel Antonio Rojo del Rio
Opvolger Francisco Javier de la Torre
50e Gouverneur-generaal van de Filipijnen
Aangetreden 19 juli 1770
Einde termijn 30 oktober 1776
Voorganger José Raón
Opvolger Pedro de Sarrio
Portaal  Portaalicoon   Filipijnen

Simón de Anda y Salazar (Subijana de Álava, 28 oktober 1709 – Cavite, 30 oktober 1776) was een Spaanse jurist, rechter en koloniaal bestuurder. Van 1770 tot 1776 was hij gouverneur-generaal van de Filipijnen.

Anda werd in 1755 benoemd tot rechter van de Audiencia van Manilla en arriveerde in 1761 in de Filipijnen. Toen de Britten in 1762 Manilla veroverden, bevond Anda zich buiten de hoofdstad. Hij organiseerde vanuit de provincies het Spaanse verzet en was daarmee feitelijk gouverneur-generaal van de gebieden die onder Spaans gezag bleven. Door dit verzet bleef het Britse gezag grotendeels tot Manilla en Cavite beperkt. Na de Britse terugtrekking keerde hij terug naar Spanje, waar hij werd benoemd tot lid van de Raad van Castilië en onderscheiden voor zijn optreden tijdens de oorlog. In 1769 werd hij door koning Karel III benoemd tot gouverneur-generaal van de Filipijnen.

Als gouverneur-generaal voerde Anda hervormingen door op bestuurlijk, economisch en kerkelijk gebied. Hij liet zijn voorganger José Raón en andere hoge functionarissen onderzoeken, breidde het leger en de marine uit en stimuleerde nieuwe vormen van productie, zoals de zijdeteelt. Ook wilde hij het koninklijke gezag over de katholieke kerk in de Filipijnen versterken. Zijn streven om de invloed van de religieuze orden te beperken en parochies over te dragen aan de seculiere geestelijkheid stuitte, vooral bij de augustijnen, op verzet. Hij kwam ook in conflict met andere koloniale functionarissen en kreeg kritiek vanuit Spanje. Enkele van zijn maatregelen werden later teruggedraaid en wegens de manier waarop hij de zaken tegen Raón had aangepakt kreeg hij een boete van 8.000 peso.

Levensloop

Jeugd en opleiding

Zicht op Anda's geboortedorp Subijana
Palacio Casa Simón de Anda y Salazar in Subijana

Simón de Anda y Salazar werd geboren op 28 oktober 1709 in Subijana, in de Spaanse provincie Álava, als zoon van Juan de Anda en Francisca López de Armentia. Hoewel Salazar de familienaam van zijn grootmoeder van moederszijde was, gebruikte hij deze consequent als tweede achternaam. De familie Anda was afkomstig uit het gelijknamige dorp Anda in de vallei van Kuartango. Oorspronkelijk behoorde de familie tot de vooraanstaande adel van de streek, maar in de achttiende eeuw was zij een lokale hidalgofamilie en dus van lagere adel.

Anda volgde lager onderwijs in Morillo en Salinas de Añana, waar hij onder meer Latijn leerde. Vervolgens studeerde hij filosofie aan een dominicanenklooster in Vitoria. Aanvankelijk bereidde hij zich voor op een kerkelijke loopbaan. In 1728 ontving hij de tonsuur, maar hij koos uiteindelijk voor een rechtenstudie. In 1732 behaalde hij aan de Universiteit van Sigüenza de graad van bachiller in de rechten. Een jaar later vervolgde hij zijn studie aan de Universiteit van Alcalá, waar hij met financiële steun van zijn oom Martín Pérez de Anda, destijds gouverneur van Trinidad en Guayana, in 1738 de graad van licentiaat in het canoniek recht behaalde. Kort daarna promoveerde hij tot doctor in het canoniek recht.

Juridische loopbaan in Spanje

Na zijn promotie tot doctor in het canoniek recht vestigde Anda zich als advocaat in Madrid. Hij had er bijna veertien jaar een succesvolle praktijk en stond bekend als bekwaam jurist. Hij werkte samen met de markies van la Regalía aan de redactie van de Nueva Recopilación de Leyes de Indias, een herziening van de Spaanse wetgeving voor de overzeese gebieden.

In 1735 trad Anda in het huwelijk met María Cruz Díaz Montoya, eveneens afkomstig uit Álava. Uit het huwelijk werden vier kinderen geboren, van wie alleen Joaquina en Tomás de volwassen leeftijd bereikten. Hun dochter trad later in bij de orde van de Bernardinessen en werd uiteindelijk abdis van het klooster van Casarrubios del Monte, in de provincie Toledo.

Anda vervolgde zijn loopbaan bij de Secretaría del Despacho de Indias, het bestuursorgaan voor de Spaanse overzeese gebiedsdelen. Later werkte hij bij de Secretaría de Gracia y Justicia, die zich bezighield met onder meer rechtspraak, benoemingen en kerkelijke zaken. Daar klom hij op tot oficial mayor.

Oidor in de Filipijnen

Sir William Draper, bevelhebber van de Britse expeditie die in 1762 Manilla veroverde

Op 18 oktober 1755 werd Anda benoemd tot oidor supernumerario van de Audiencia van Manilla, het hoogste gerechtshof van de Spaanse Filipijnen. Mede door het overlijden van zijn echtgenote vertrok hij echter pas op 30 juni 1760 uit Spanje. Via Nieuw-Spanje reisde Anda naar de Filipijnen, waar hij op 14 juli 1761 in Cavite aankwam. Een week later aanvaardde hij zijn ambt in Manilla.

Het jaar na zijn aankomst naderde een Britse vloot de Filipijnen. De Britse expeditie arriveerde op 22 september 1762 met dertien schepen in de baai van Manilla. De vloot stond onder bevel van admiraal Samuel Cornish, terwijl luitenant-kolonel William Draper het bevel voerde over de landmacht. Spanje was eerder dat jaar in oorlog geraakt met de Britten door het sluiten van het derde familieverbond met Frankrijk tijdens de Zevenjarige Oorlog. Omdat het nieuws van de oorlogsverklaring de Filipijnen nog niet had bereikt, werden de Spaanse autoriteiten door de komst van de vloot verrast.

Rol tijdens de Britse bezetting van Manilla

De voorbereiding van de verdediging

De Spaanse autoriteiten begonnen daarop met de verdediging van Manilla en de omliggende gebieden. De augustijnse geestelijken van de parochies Tondo en Binondo kregen de opdracht samen met hun parochianen aan de verdediging deel te nemen. De augustijn Miguel Braña werd belast met het bevel over de inheemse troepen die waren opgesteld tussen San Fernando en Bancaúsay en met de bevoorrading van de troepen buiten Manilla. Hij bracht ongeveer 2.000 Tagalogs en 4.000 Pampangos naar Manilla. Op 28 september kreeg hij opdracht 300 man de stad binnen te brengen en met de overige 200 man de doorgang bij Malosac te bewaken. Toen de Britten bij Bancaúsay met vier boten een landing probeerden uit te voeren, werden zij door twee kanonschoten vanuit een kleine versterking verdreven.

Augustijnen brachten rijst, vee en andere producten van hun landerijen naar de stad om de verdedigers te voeden. Verschillende religieuzen namen zelf de wapens op en hielden wacht op de stadsmuren. Juan Facundo de Acosta, die als militair ingenieur naar de Filipijnen was gekomen en later augustijn was geworden, verdedigde een bastion op de muren van Manilla. Hij had al eerder kanonnen, mortieren en ander militair materieel vervaardigd.

De poort waardoor Simón de Anda, naar verluidt, de stad Manilla tijdens Britse bombardementen verliet

Aartsbisschop en waarnemend gouverneur-generaal van de Filipijnen Manuel Rojo del Río riep daarop enkele malen de Raad van Oorlog bijeen om de verdediging van de kolonie te organiseren. Op 2 oktober 1762 besloot de Audiencia om Anda naar de provincies te sturen zodat hij daar, in geval van de val van Manilla, de trouw aan de Spaanse koning kon handhaven. Hij werd daartoe benoemd tot visitador general (algemeen inspecteur) en teniente de gobernador y capitán general (plaatsvervangend gouverneur en kapitein-generaal) en vertrok op 4 oktober naar Bulacán. Hij nam een advocaat, een schrijver/notaris en ongeveer 200.000 pesos uit de koninklijke kassen mee.

Vestiging van het bestuur door Anda in Bacolor

Na zijn aankomst in Bulacán vernam Anda dat Manilla ondertussen door de Britten was ingenomen en dat aartsbisschop Manuel Rojo del Río en de resterende leden van de Audiencia gevangen waren genomen. Op 8 oktober 1762 beriep Anda zich op bepalingen uit de Recopilación de las Leyes de Indias over de uitoefening van het bestuur wanneer een gouverneur gevangen was genomen of zijn functie niet kon vervullen. Hij riep zichzelf daarop in naam van de Spaanse koning uit tot gouverneur- en kapitein-generaal van de Filipijnen en maakte aanspraak op het presidentschap van de Audiencia.

De Spaanse alcalde mayor (provinciaal gouverneur) van Bulacán, José Pasarín erkende hem onmiddellijk. Pasarín riep vervolgens de augustijnse geestelijken in de provincie bijeen. De vicaris-provinciaal Remigio Hernández droeg de geestelijken op hun parochianen duidelijk te maken dat zij Anda als gouverneur en kapitein-generaal moesten erkennen.

De Britse autoriteiten erkenden Anda's aanspraak niet. Zij beschouwden hem als lid van de Audiencia en als visitator van de provincies. Ook probeerden zij Rojo ertoe te bewegen Anda tot overgave te overtuigen. Deze pogingen hadden echter geen succes. Anda beschouwde Rojo uiteindelijk als een verrader van Spanje. De verhouding tussen beiden bleef vijandig tot Rojo in januari 1764 overleed.

Omdat Bulacán kwetsbaar was voor Britse aanvallen en Bacolor in Pampanga verder van de Baai van Manilla lag, verplaatste Anda zijn residentie naar Bacolor. Deze plaats werd vervolgens het bestuurlijke centrum van zijn verzet tegen de Britse bezetting.

In Pampanga verliep de erkenning van Anda aanvankelijk moeizaam. Een deel van de bevolking weigerde niet alleen Anda, maar ook andere Spanjaarden te erkennen. Zij hielden de Spanjaarden verantwoordelijk voor de val van Manilla en vermoedden dat er verraad in het spel was. De augustijner geestelijken probeerden de inwoners ervan te overtuigen Anda als gouverneur te erkennen. Vooral Sebastián Moreno, vicaris-provinciaal van Pampanga, zette zich hiervoor in. Uiteindelijk aanvaardden de inwoners het gezag van Anda. Pampanga en Bulacán werden vervolgens belangrijke steunpunten van het Spaanse verzet. Ook de dominicanen en franciscanen schaarden zich achter Anda. Spaanse bestuurders, militairen en geestelijken verschaften de Spaanse troepen informatie over de Britse activiteiten. Sommigen namen bovendien deel aan guerrilla-acties tegen de Britse bezettingsmacht.

Vanuit Bacolor organiseerde Anda vervolgens het bestuur en de verdediging van de gebieden die onder Spaans gezag bleven. Omdat hij over beperkte financiële en personele middelen beschikte, was hij sterk afhankelijk van de medewerking van de provinciale bestuurders, de lokale bevolking en de religieuze orden. Toch nam hij maatregelen om de orde te handhaven en te voorkomen dat de bevolking zich bij de Britten aansloot. Zo verbood hij zijn troepen plundering en afpersing, verbood hij gokken en legde hij zware straffen op voor dronkenschap. Hij stelde de lonen en de prijzen van goederen vast, voerde de doodstraf in voor diefstal en schafte tribuut en dwangarbeid af.

Het Britse bestuur in Manilla en Cavite

Ondertussen hadden de Britten Dawsonne Drake aangesteld als voorlopig gouverneur van Manilla namens de Britse Oost-Indische Compagnie. Drake was als civiel bestuurder met de Britse vloot naar de Filipijnen gekomen, maar bleef tijdens de aanval aanvankelijk aan boord van een van de Britse schepen. Vier dagen na de verovering ging hij voor het eerst aan land. Bij zijn installatie kreeg hij, samen met de Manila Council, de verantwoordelijkheid voor het bestuur van de Britse bezittingen in Manilla en Cavite.

Drake had in de praktijk vrijwel volledige zeggenschap over Manilla en Cavite. Wel moest hij samenwerken met de Manila Council, die toezicht hield op zijn bestuur. De Council stelde commissies in voor onder meer rekeningen, openbare werken en beroepszaken. Daarnaast kwam er een rechtbank voor kleine zaken. De Chinese wijk (Parián) kreeg een eigen bestuurder, terwijl het bestaande Chinese bestuur bleef functioneren. De Britten probeerden de handel te stimuleren en nieuwe inkomsten te vinden, onder meer door monopolies te verpachten en de douanerechten te verlagen, maar de opbrengsten bleven ver achter bij die van de Spaanse tijd. Daar stond tegenover dat de kosten van het garnizoen, de scheepsreparaties en de militaire operaties tegen Anda’s troepen bleven stijgen.

Organisatie van het verzet

Na de val van Manilla begon Anda in Bulacán en Pampanga troepen te werven. In beide provincies samen kwamen ongeveer 1.000 man bijeen. De plaatselijke leiders voerden het bevel over hun eigen manschappen, terwijl de augustijn Miguel Braña het opperbevel over alle troepen voerde. Zo ontstond een guerrillaleger van Spanjaarden en Filipino’s. Later sloten zich ook Mexicaanse soldaten bij zijn troepen aan die uit Britse gevangenschap waren ontsnapt.

Anda organiseerde niet alleen het militaire verzet, maar probeerde ook de bevolking voor zijn zaak te winnen. Hij stelde dat de Britten het katholicisme in de Filipijnen wilden ondermijnen en riep Spanjaarden en Filipino’s op zich bij het verzet aan te sluiten. Ook probeerde hij onrust onder de bevolking te voorkomen en bestreed hij lokale groepen die de Britten steunden.

De Britten probeerden op hun beurt de bevolking tegen Anda op te zetten. Zij stuurden agenten naar de provincies om zijn gezag te ondermijnen en loofden een beloning van 5.000 zilveren dollars uit voor degene die hem als gevangene aan hen uitleverde.

Het Spaanse verzet kampte met grote tekorten aan geld, wapens en munitie en de augustijnen sprongen daarom bij. De augustijnse provincie stelde 3.000 peso beschikbaar voor de soldij van de troepen. Miguel Braña schonk onder meer veertig geweren, vier kanonnen, vier falconetten, vijf lantaka’s (kleine draaibare kanonnen) en 24 arrobas ijzer voor kogels. Ook stelde hij vaartuigen beschikbaar voor de verdediging.

Onder leiding van de augustijn Juan Facundo de Acosta werden bovendien verdedigingswerken aangelegd en bestaande versterkingen verbeterd. De beschikbare artillerie bleef echter beperkt. Bulacán werd verdedigd met kleine kanonnen en falconetten, terwijl rond de kerk en het klooster palissaden en andere geïmproviseerde versterkingen werden aangelegd.

Een belangrijk onderdeel van Anda's strategie was het bemoeilijken van de voedselvoorziening van Manilla. Zijn troepen probeerden de aanvoer vanuit de omgeving van Laguna de Bay te onderscheppen en stelden zich op bij onder meer Maysilo en Malinta. De Britten richtten daarom een buitenpost in Pasig in en patrouilleerden met gewapende vaartuigen op de Pasig.

In september 1762 bereikte het schip Filipino de Filipijnen met een grote hoeveelheid geld. Toen de Britten van de lading op de hoogte raakten, werd deze via verschillende routes over land en water naar Pampanga in veiligheid gebracht. De geredde schat bedroeg 1.304.147 peso. Het schip zelf werd in Palapag tot zinken gebracht om te voorkomen dat het in Britse handen zou vallen.

De strijd rond Manilla

Allegorische voorstelling van Simón de Anda tijdens de verdediging van de Filipijnen tegen de Britten, eind 18e eeuw (Museo de Bellas Artes de Álava)

Het eerste grote gevecht van het georganiseerde verzet vond plaats bij Maysilo, waar 1.000 manschappen van Anda de Britse troepen versloegen. De Britten namen daarna Malolos in en trokken verder naar Bulacán. Daar werd hun aanval, ondanks hun numerieke en materiële overmacht, met zware verliezen afgeslagen.

De Britten probeerden daarna opnieuw onrust te zaaien in Bulacán en Pampanga. Zij namen contact op met plaatselijke leiders en spoorden de bevolking aan het gezag van Anda af te wijzen. Het Spaanse bestuur reageerde met militaire acties en liet mensen opsporen die met de Britten samenwerkten.

Ook delen van de Chinese gemeenschap in de Filipijnen schaarden zich na de verovering van Manilla en Cavite aan Britse zijde. Sommige Chinezen traden zelfs in dienst van het Britse leger en namen deel aan militaire acties tegen de troepen van Anda. Op 23 december 1762 bracht een groep van ongeveer 900 Chinezen in Pampanga een strijdmacht van circa 5.000 man bijeen, met het plan de Spanjaarden op kerstavond aan te vallen tijdens een avondmis. Anda ontdekte het plan en trok met zijn troepen naar Pampanga, waar het tot een gevecht kwam. Veel van de Chinezen werden gedood, gewond of gevangengenomen. Een deel vluchtte naar de bergen.

Opstanden in de provincies

De Britse bezetting leidde in verschillende delen van de archipel tot onrust en opstanden. In Pangasinan en Ilocos kwamen delen van de bevolking tegen het Spaanse gezag in verzet. In Ilocos stond Diego Silang met Britse steun aan het hoofd van de opstand. Ook in Cagayan ontstond onrust, maar daar werd de opstand snel onderdrukt. In Bulacán en Pampanga bleef de bevolking uiteindelijk trouw aan het Spaanse gezag.

In Pangasinan brak op 3 november 1762 onder leiding van Juan de la Cruz Palaris een opstand uit tegen het Spaanse bestuur. Palaris eiste het ontslag van verschillende Spaanse burgemeesters en rechters die werden beschuldigd van corruptie. Ook het Spaanse belastingstelsel zorgde voor veel onvrede. Anda probeerde de opstand met behulp van bemiddeling en een aanbod van amnestie te beëindigen, maar stuurde uiteindelijk troepen om de opstand neer te slaan. Volgens schattingen had Palaris op zijn hoogtepunt 6.000 volgelingen. De opstand werd in juli 1764 onderdrukt.

In Ilocos verdreef Silang op 14 december 1762 de Spaanse gouverneur van Ilocos, Antonio Zabala, uit Vigan en richtte hij er een eigen bestuur in. De Britten zagen in Silang een mogelijke bondgenoot tegen Anda. Op 6 mei 1763 bood de Britse kapitein Thomas Backhouse hem namens de Britse strijdkrachten militaire steun aan. Hij beloofde onder meer troepen en oorlogsmaterieel. Silang werd op 28 mei 1763 vermoord. Zijn vrouw Gabriela Silang zette het verzet voort, maar werd gevangengenomen en op 20 september 1763 in Vigan geëxecuteerd. Daarmee kwam een einde aan de opstand.

Ook op het eiland Cebu brak een opstand uit, waarbij Tupas, een lokale leider, tot koning werd uitgeroepen. Augustijnse geestelijken werkten met de Spaanse autoriteiten samen om de opstand neer te slaan en wisten Tupas over te halen de onrust te staken. De Spaanse steunpuntenZamboanga, Dapitan, Misamis en de Calamianeilanden bleven onder Spaans gezag.

Door het verzet onder leiding van Anda bleef de Britse controle grotendeels beperkt tot Manilla en Cavite. De Britse troepen waren niet sterk genoeg om hun invloed vanuit deze twee steden verder over de provincies en andere eilanden uit te breiden.

Einde van de bezetting

Op 10 februari 1763 werd de Vrede van Parijs gesloten. Daarmee eindigde formeel de oorlog tussen Spanje, Frankrijk en Groot-Brittannië. Het nieuws hierover bereikte Manilla echter pas maanden later. Op 24 juli 1763 arriveerde het schip Houghton in de baai van Manilla met de officiële berichten over het vredesverdrag.

Drake gaf het nieuws door aan de Britse militaire en maritieme bevelhebbers en lichtte ook aartsbisschop Manuel Rojo in. Rojo informeerde Anda vervolgens over het einde van de oorlog. Anda weigerde aanvankelijk de geldigheid van het vredesverdrag te erkennen, omdat hij vermoedde dat de Britten het nieuws gebruikten om de Spaanse verdediging van de Filipijnen te verzwakken. Volgens hem moesten de Britten eerst de echtheid van het verdrag aantonen.

De Britse bevelhebbers probeerden vervolgens met Anda tot overeenstemming te komen. Spaanse inwoners van Manilla drongen er bij hem op aan het verdrag te aanvaarden om verdere gevechten te voorkomen. Ook twee jezuïeten, Padre de Luna en Padre Pauzengos, traden op als bemiddelaars. Anda bleef echter weigeren, mede omdat de Britse bevelhebbers hem nog steeds niet als gouverneur van de Filipijnen erkenden.

Op 27 augustus 1763 arriveerde het Britse fregat Hector in de baai van Manilla met de voorlopige vredesvoorwaarden. Anda werd opnieuw op de hoogte gebracht, maar bleef weigeren de strijd te staken. Op 19 september stelden de Britse bevelhebbers hem een ultimatum om de vijandelijkheden overeenkomstig het vredesverdrag te beëindigen. Op 15 oktober arriveerde het schip Admiral Pocock uit Madras met exemplaren van het vredesverdrag.

In de tussentijd bereidden de Britten hun vertrek uit de Filipijnen voor. Zij waren van plan de bezette gebieden over te dragen aan aartsbisschop Rojo, die bij hun aankomst in Manilla in september 1762 waarnemend gouverneur was geweest. Rojo wilde Britse troepen inzetten om de stad te beschermen tegen een mogelijke gewapende confrontatie tussen zijn aanhangers en die van Anda.

Toen Rojo op 30 januari 1764 overleed, verdwenen de Britse zorgen over een mogelijke burgeroorlog. De Britse bevelhebbers erkenden Anda nu als de legitieme gouverneur van de Spaanse kolonie en daarmee ook als leider van het Spaanse bestuur buiten Manilla tijdens de bezetting.

Anda weigerde de oorlog echter nog steeds als beëindigd te beschouwen. Op 8 maart 1764 arriveerde het Britse schip Revenge in Manilla met een document van koning George III, waarin op grond van de artikelen 23 en 24 van de Vrede van Parijs opdracht werd gegeven de veroverde gebieden terug te geven. Nadat hij de koninklijke bevelen had ontvangen en de echtheid ervan had laten onderzoeken, was Anda uiteindelijk overtuigd dat de oorlog was afgelopen en dat de vredesvoorwaarden moesten worden uitgevoerd.

Terwijl de Britten hun vertrek voorbereidden, arriveerde op 17 maart 1764 de nieuw benoemde gouverneur-generaal Francisco de la Torre in de Filipijnen. De onderkoning van Nieuw-Spanje had hem aangewezen om de kolonie tijdelijk te besturen en het Spaanse bestuur na het Britse vertrek weer op te bouwen. In afwachting van zijn formele aantreden had de Audiencia van Manilla Anda benoemd tot waarnemend gouverneur-generaal. De la Torre nam na aankomst het bestuur over, maar stelde Anda in staat de overdracht van Manilla aan de Spanjaarden persoonlijk mee te maken.

Op 31 mei 1764 namen de Spanjaarden Manilla weer formeel in bezit. Tijdens de overdrachtsceremonie reed Anda aan het hoofd van de Spaanse en Filipijnse stoet door de straten van de stad. De Britse bevelhebber Alexander Dalrymple leidde de ceremonie, die plaatsvond op het plein bij de Santa Cruz-kerk. Nadat de Spaanse vlag was gehesen, volgden muziek, een kanonsaluut en het luiden van de kerkklokken. De Spanjaarden gaven daarna een banket voor Dalrymple en andere Britse functionarissen. Op 4 juni organiseerden de Britten op hun beurt een diner voor Anda en andere Spaanse functionarissen.

Met de overdracht van Manilla en Cavite eindigde de Britse bezetting van de Filipijnen. De Britse troepen maakten zich daarna gereed voor hun terugkeer naar Madras. Bij hun vertrek namen zij onder meer Spaanse kanonnen, wapens en munitie uit de haven van Cavite mee. De strijd tegen de Britten was gepaard gegaan met aanzienlijke verliezen en zware ontberingen. Verschillende religieuzen werden gevangengenomen of kwamen om het leven, en velen hadden aan de verdediging deelgenomen. Een aantal van hen werd door de Britten naar Goa gedeporteerd, waar zij werden geïnterneerd. Anderen werden via Bombay naar Londen overgebracht. Na het sluiten van de vrede keerden enkele gevangenen terug naar de Filipijnen.

Terugkeer naar Spanje en benoeming in de Raad van Castilië

Een tekening van de Raad van Castilië

Op 14 mei 1765 benoemde koning Karel III Anda als dank voor zijn optreden tijdens de Britse bezetting tot lid van de Raad van Castilië. Het benoemingsbesluit prees zijn optreden en erkende dat hij had bijgedragen aan het behoud van het Spaanse gezag buiten Manilla en Cavite. Anda bleef na zijn benoeming nog geruime tijd in de Filipijnen, voordat hij op 11 februari 1767 vanuit Manilla aan boord van het linieschip Buen Consejo naar Spanje vertrok. Dit schip had eerder de eerste rechtstreekse reis van Cádiz naar de Filipijnen via de Kaap de Goede Hoop gemaakt en keerde langs dezelfde route naar Spanje terug. De Buen Consejo bereikte op 15 juli 1767 Cádiz. Deze verbinding vormde een veel kortere route tussen Spanje en de Filipijnen dan de traditionele verbinding via Acapulco en Nieuw-Spanje.

Na zijn terugkeer naar Spanje nam Anda op 5 november 1767 zitting in de Raad van Castilië. De Spaanse regering bleef gebruikmaken van zijn kennis van de Filipijnen en raadpleegde hem meermaals over de kolonie. Zo stelde hij een uitgebreid advies op over de wenselijkheid van rechtstreekse handel tussen Spanje en de Filipijnen. Ook bestudeerde hij het rapport van Francisco Leandro de Viana, fiscal (juridisch adviseur en aanklager) van de Audiencia van Manilla, over de slechte toestand van de kolonie.

Voor zijn optreden tijdens de bezetting ontving Anda ook verschillende vergoedingen. Zo kreeg hij achterstallig salaris over zijn periode als waarnemend gouverneur, een extra beloning van 12.000 peso, een vergoeding voor verloren eigendommen en terugbetaling van de kosten die hij tijdens zijn bestuur vanuit Bacolor had gemaakt. Daarnaast kreeg hij een erfelijk pensioen van 3.000 peso per jaar vanwege zijn verdiensten tijdens de oorlog.

Memorandum en hervormingsvoorstellen

Una memoria de Anda y Salazar, met daarin het door Trinidad Pardo de Tavera geannoteerde memorandum van Anda. Klik hierboven voor de volledige tekst

Op 12 april 1768 stelde Anda in Madrid een memorandum op voor de Spaanse regering over de misstanden in de Filipijnen. In het stuk, getiteld Abusos y desórdenes que se han criado en Filipinas en ook bekend onder de verkorte naam Memorial de Abusos, beschreef hij uitvoerig wat volgens hem het koloniale bestuur ondermijnde en deed hij voorstellen voor verbetering. Een groot deel ging over de invloed van de religieuze orden. Anda bekritiseerde hun optreden tegenover de inheemse bevolking en de seculiere geestelijkheid, hun weigering zich aan het bisschoppelijk gezag te onderwerpen en hun inmenging in het burgerlijk bestuur. Ook hekelde hij hun handelsactiviteiten en hun grote economische invloed.

Anda pleitte voor hervormingen van het kerkelijke en bestuurlijke bestel. Hij wilde de religieuze orden onderwerpen aan bisschoppelijke visitatie, een einde maken aan hun inmenging in het burgerlijk bestuur en aan hun handelsactiviteiten, en hen verplichten Spaans te onderwijzen aan de inheemse bevolking. Wanneer zij zich daartegen zouden blijven verzetten, achtte hij uitzetting uit de Filipijnen gerechtvaardigd. Ook stelde hij voor de door religieuze orden bestuurde parochies geleidelijk te seculariseren. Omdat er te weinig seculiere geestelijken waren, wilde hij nieuwe Spaanse geestelijken laten overkomen. Verder wilde hij het door de religieuze orden beheerste universitaire onderwijs hervormen en een nieuwe, seculiere universiteit in Manilla oprichten.

Het memorandum bevatte ook voorstellen op economisch en bestuurlijk gebied. Anda stelde onder meer voor de aanwezige minerale rijkdommen systematischer te exploiteren en de mijnbouw te ontwikkelen, de handelsvoorschriften en het muntstelsel te herzien en het koloniale bestuur te reorganiseren. Ook wilde hij gouverneurs-generaal zorgvuldiger selecteren, hun meer bevoegdheden geven en belasting heffen op de goudproductie.

De voorstellen waren gebaseerd op Anda’s ervaringen als oidor van de Audiencia van Manilla en als leider van het Spaanse bestuur buiten de door de Britten bezette gebieden. Veel ervan keerden terug in de koninklijke instructies die hij ontving toen hij later tot gouverneur werd benoemd.

Benoeming tot gouverneur van de Filipijnen

Op 17 april 1769 werd Anda door koning Karel III benoemd tot gouverneur-generaal van de Filipijnen. De benoeming vormde een erkenning voor zijn optreden tijdens de Britse bezetting van de Filipijnen. Anda stond aanvankelijk terughoudend tegenover een terugkeer naar de kolonie, maar stemde na aandringen van de koning en diens ministers in met de benoeming. Daarbij werd hem verzekerd dat hij zijn titel en zetel in de Raad van Castilië zou behouden en dat hij na afloop van zijn gouverneurschap naar de Raad kon terugkeren.

Een tekening uit de collectie van het Museo Naval in Madrid van het fregat Astrea waarmee Anda naar de Filipijnen reisde

Anda vertrok op 11 januari 1770 vanuit Cádiz aan boord van het fregat Astrea, onder bevel van kapitein José de Córdova y Ramos. Ook dit schip volgde de route via de Kaap de Goede Hoop, waardoor de reis aanzienlijk sneller verliep dan zijn eerste reis naar de kolonie. In april 1770 maakte de Astrea een tussenstop in de Tafelbaai, waarna het schip zijn reis naar de Filipijnen voortzette.

Anda nam twee Spaanse meestersmeden mee, met het benodigde gereedschap om de door de oorlog stilgelegde werkzaamheden aan de ijzerproductie in de Filipijnen te hervatten. Daarnaast bracht hij een aantal militaire functionarissen en andere geschoolde werklieden uit Spanje mee. Ook zijn neef Juan Francisco de Anda reisde mee. Net als zijn oom was hij in 1769 benoemd tot oidor van de Audiencia van Manilla. Volgens de koninklijke instructies, die Anda voor zijn reis had ontvangen, moest Anda de vermeende misstanden van zijn voorganger en andere betrokken ambtenaren onderzoeken.

De Astrea bereikte op 15 juli 1770 de haven van Cavite. Vier dagen later, op 19 juli, nam Anda formeel het ambt van gouverneur-generaal en kapitein-generaal van de Filipijnen over van José Antonio Raón y Gutiérrez, die de functie sinds 1765 bekleedde.

Gouverneur-generaal

Onderzoek naar Raón en hervorming van het bestuur

Conform zijn koninklijke instructies liet Anda kort na zijn aantreden het bestuur van zijn voorganger José Raón onderzoeken. Ook andere hoge functionarissen werden onderzocht. Op 22 september 1770 werd oidor Domingo Blas de Basaraz gearresteerd. Op 13 december volgden invallen bij Raón, diens zoon José Raón jr., oidor Francisco Villacorta en regeringssecretaris Antonio Cosio. Er werd beslag gelegd op hun bezittingen en papieren. De vier werden vervolgd wegens hun optreden in de kwestie rond de verdrijving van de jezuïeten.

De verdenkingen tegen Raón betroffen onder meer het voortijdig bekendmaken van het koninklijke besluit tot verdrijving van de jezuïeten, zijn betrokkenheid bij de handel met Mexico en het mogelijk tegen betaling verlenen en verlengen van overheidsfuncties. Bij een huiszoeking in zijn woning werd ruim 70.000 peso aan contanten aangetroffen. Nader onderzoek wees bovendien op omvangrijke geldzendingen naar Spanje en investeringen in de galjoenenhandel. Anda stelde dat Raón zijn vermogen niet uit zijn salaris of legitieme handel kon hebben opgebouwd en zag daarin aanwijzingen voor misbruik van zijn ambt.

Los daarvan onderzocht ook de Audiencia van Manilla Raón. Op 15 juni 1772 had de kroon de Audiencia, naar aanleiding van een klacht van de fiscal (openbaar aanklager) Antonio Andrada uit 1769, opgedragen het gedrag van de voormalige gouverneur vertrouwelijk te onderzoeken. De Audiencia beperkte haar onderzoek tot de door de fiscaal ingebrachte beschuldigingen en sprak Raón op 23 december 1773 vrij.

Cosío werd onder meer beschuldigd van het achterhouden van officiële correspondentie en van betrokkenheid bij de gebrekkige uitvoering van het koninklijke besluit tot verdrijving van de jezuïeten. Villacorta werd onder andere verdacht van sympathieën voor de jezuïeten en van samenwerking met Raón en andere functionarissen. De onderzoeken sleepten zich jarenlang voort. Medewerkers stelden tientallen bundels en notitieboeken met uittreksels samen om de grote hoeveelheid in beslag genomen documenten te ordenen. De rechtszaken tegen Raón en zijn medeverdachten werden uiteindelijk in Spanje behandeld. Op 13 juli 1775 sprak het Consejo Extraordinario Raón en verschillende andere functionarissen vrij. Anda werd wegens de wijze waarop hij de zaken had behandeld veroordeeld tot een boete van 8.000 peso.

Beheer van de voormalige jezuïtische bezittingen

De Kerk van San Pedro Macati, oorspronkelijk gebouwd door de jezuïeten. Het omliggende, winstgevende landgoed viel ten tijde van het bestuur van Simón de Anda onder het beheer en de controle van de Comisión de Temporalidades. De kerk werd na de verdrijving van de jezuïeten overgedragen aan de seculiere geestelijkheid en ligt tegenwoordig midden in het stedelijk gebied van Makati

Anda kreeg te maken met het beheer en de afwikkeling van de bezittingen van de in 1767 uit de Filipijnen verdreven jezuïeten. De hiervoor ingestelde Comisión de Temporalidades de los Jesuitas verkeerde bij zijn aantreden in een chaotische toestand. Inventarissen waren onvolledig, documenten waren verspreid geraakt en er bestond weinig overzicht over de inkomsten uit haciënda’s, woningen en andere bezittingen.

Anda reorganiseerde de administratie om beter inzicht te krijgen in de omvang van de bezittingen. Vanaf 1773 werden de jezuïtische haciënda’s verhuurd, waardoor de commissie niet langer zelf verantwoordelijk was voor het dagelijks beheer en de inkomsten toch verzekerd waren. In de jaren daarna werden nog verschillende huizen, marktkramen en uitstaande leningen opgespoord en geïnventariseerd. Eind 1775 was de financiële positie van het beheer aanzienlijk verbeterd en de kas bevatte een groot bedrag.

Het beheer leidde echter ook tot politieke spanningen. Anda had zijn neef Juan Francisco de Anda benoemd tot commissaris voor het beheer van de voormalige jezuïtische bezittingen, een beslissing die in Madrid als nepotisme werd bekritiseerd. In 1775 werd besloten de commissie op te heffen en het beheer over te dragen aan het Real Acuerdo, een nieuw orgaan binnen de Audiencia van Manilla, dat op 6 september 1775 werd ingesteld en waarin de oidores en de fiscal zitting hadden. De gouverneur-generaal was er ambtshalve voorzitter van. Op 30 oktober droeg Juan Francisco de Anda de documenten van de commissie aan het nieuwe orgaan over.

Kerkelijke hervormingen en conflict met de religieuze orden

Een belangrijk onderdeel van Anda's hervormingsbeleid was het versterken van het koninklijk patronaat, waarmee de Spaanse kroon invloed uitoefende op kerkelijke benoemingen en aangelegenheden. Ook wilde hij de bisschoppelijke visitatie daadwerkelijk laten naleven en de invloed van de religieuze orden op het bestuur van de parochies beperken. Bij zijn aankomst in de Filipijnen op 15 juli 1770 eiste Anda direct dat de religieuze orden zich aan de bisschoppelijke visitatie en het koninklijk patronaat zouden onderwerpen. Deze opvattingen had hij al in zijn Memorial de Abusos uit 1768 uiteengezet. De koninklijke instructies die Anda bij zijn benoeming meekreeg, sloten op belangrijke punten aan bij zijn voorstellen.

Zijn eerste belangrijke maatregel op kerkelijk gebied was een decreet van 4 mei 1771. Daarin droeg hij de religieuze orden en Antonio de Luna, de bisschop van Nueva Cáceres, op de voorschriften van het koninklijk patronaat na te leven. Voor het aanstellen van parochiepriesters moesten de orden voortaan kandidaten voordragen, waarna de gouverneur-generaal de benoeming kon bekrachtigen. Afhankelijk van de afstand tot Manilla kregen zij daarvoor een termijn van één tot vier maanden. Met deze maatregel wilde Anda een einde maken aan de bestaande praktijk waarbij de orden grotendeels zelf bepaalden wie hun parochies bestuurden.

In dezelfde periode ontstond ook een conflict met Antonio de Luna. Luna had twee kapelaans voor de kathedraal van Nueva Cáceres aangesteld en hun benoeming pas achteraf ter bevestiging aan Anda voorgelegd. Anda zag hierin een aantasting van de rechten van de kroon en wilde dat de voorschriften van het koninklijk patronaat ook in Nueva Cáceres werden nageleefd.

De religieuze orden, en met name de augustijnen, verzetten zich tegen deze procedure. De augustijnse provinciaal, José Victoria, beriep zich op oudere pauselijke en koninklijke privileges die de religieuze orden toestonden het parochiewerk grotendeels onder eigen verantwoordelijkheid te organiseren. In feite ging het om de vraag in hoeverre de religieuze orden zich moesten onderwerpen aan de bisschoppen en aan het koninklijk patronaat.

Tijdens het Tweede Concilie van Manilla in 1771 ontstond een conflict tussen de aartsbisschop van Manilla, Basilio Tomás Sancho Hernando, en Antonio de Luna over de uitoefening van kerkelijke bevoegdheden. Anda koos daarbij de zijde van Sancho. Hij beschuldigde Luna van het verstoren van de openbare orde en liet hem op 18 juli 1771 uit Manilla verwijderen. Het concilie bevestigde vervolgens de bisschoppelijke jurisdictie en de rechten van het koninklijk patronaat.

Het grootste conflict ontstond in de provincie Pampanga. Anda liet in september 1771 onderzoek doen naar berichten over onrust en het optreden van de augustijnse geestelijkheid. Daaruit bleek volgens hem dat de augustijnen onjuiste berichten hadden verspreid over de uitspraken in de geschillen over het patronaat en de bisschoppelijke visitatie. Ook zouden zij geheime bijeenkomsten hebben gehouden, zonder duidelijke reden parochies hebben verlaten en de bevolking onder druk hebben gezet. Verder zouden zij zich tegen de aartsbisschop en de gouverneur hebben gekeerd en de bevolking hebben voorgehouden dat zij zonder de religieuzen geen geestelijke verzorging zou krijgen. Naar aanleiding daarvan besloot Anda de augustijnen uit Pampanga te verwijderen. Op 28 oktober 1771 stuurde hij vanuit Manilla een detachement dragonders naar de provincie om de maatregel uit te voeren. Een deel van de augustijnen onderwierp zich aan de bisschoppelijke visitatie en het koninklijk patronaat. De overige religieuzen werden naar Manilla overgebracht en vervolgens naar Spanje gestuurd.

De vervanging van de augustijnse geestelijken door seculiere priesters vond plaats tussen 28 oktober en 5 december 1771. Anda liet voor de vacante parochies 22 priesters aanwijzen en liet de kerken, kerkelijke bezittingen en archieven ordelijk overdragen. De operatie verliep grotendeels zonder verzet van de plaatselijke bevolking, maar sommige augustijnen probeerden het proces te vertragen of te bemoeilijken. Enkele geestelijken mochten onder koninklijke bescherming in Pampanga blijven. Zij werden daarbij onttrokken aan het gezag van hun provinciaal, wat opnieuw tot een conflict binnen de orde leidde.

Anda paste dezelfde beginselen vervolgens ook buiten Pampanga toe. In de bisdommen Nueva Segovia en Cebu kreeg hij verschillende religieuzen zover dat zij zich aan het koninklijk patronaat en de bisschoppelijke visitatie onderwierpen. In Iloilo onderwierpen vier augustijnen zich vrijwillig, terwijl anderen hen daar openlijk om bespotten en bekritiseerden.

In januari 1772 verbood Anda dat gobernadorcillos (lokale bestuurders) diensten voor de pastoors verrichtten en liet hij overheidsfunctionarissen optreden tegen het opleggen van onbetaalde diensten en het afdwingen van giften van de bevolking.

De harde aanpak van de kwestie in Pampanga leidde uiteindelijk tot kritiek vanuit Spanje. De Raad van Indië oordeelde dat noch Anda noch de aartsbisschop juridisch bevoegd was geweest om de augustijnen uit hun parochies te verwijderen. De Raad wees erop dat een koninklijk besluit uit 1757 secularisatie wel mogelijk maakte, maar alleen wanneer er voldoende bekwame seculiere geestelijken waren die de plaatselijke taal kenden.

Een speciale commissie die in opdracht van Karel III de kwestie onderzocht, kwam tot een genuanceerder oordeel: zij achtte secularisatie op zichzelf verenigbaar met het koninklijk patronaat, maar vond dat deze geleidelijk moest worden uitgevoerd. Ook moesten religieuze orden zich onderwerpen aan de bisschoppelijke visitatie en het koninklijk patronaat. De kwestie leidde vervolgens tot verschillende koninklijke besluiten, van 28 december 1773, 25 augustus 1774 en vooral 9 november 1774, waarmee Anda’s aanpak gedeeltelijk werd teruggedraaid. De augustijnen kregen hun voormalige parochies terug, terwijl het beginsel van het koninklijk patronaat, de bisschoppelijke visitatie en een geleidelijke secularisatie van de parochies werden gehandhaafd.

De religieuze orden reageerden verschillend op de uitvoering van deze maatregelen. De dominicanen en augustijnen onderwierpen zich uiteindelijk aan de nieuwe voorschriften, al deden de augustijnen dat met enige terughoudendheid. De franciscanen bleven zich het krachtigst verzetten. In 1775 probeerde Anda de naleving van de koninklijke voorschriften opnieuw af te dwingen. De aartsbisschop inspecteerde tussen oktober en november van dat jaar verschillende augustijnse parochies. In 1776 kwam Anda echter tot een meer gematigd standpunt over de secularisatie. In een brief aan de koning stelde hij dat de Filipijnen voor de geestelijke zorg mogelijk beter Spaanse seculiere priesters konden krijgen en dat, zolang die niet beschikbaar waren, de religieuzen hun parochies konden behouden onder toezicht van de bisschoppen en het koninklijk patronaat.

Na Anda's dood bepaalde Karel III op 11 december 1776 dat het eerdere besluit tot secularisatie niet moest worden uitgevoerd en dat de eerder aan religieuze orden ontnomen parochies aan hen moesten worden teruggegeven. De parochies bleven daarbij wel onderworpen aan de bisschoppelijke visitatie en het koninklijk patronaat. Wel bleef het streven naar een geleidelijke secularisatie bestaan, zodra voldoende geschikte seculiere geestelijken beschikbaar waren.

Economische, militaire en infrastructurele hervormingen

Ook op militair en economisch gebied voerde Anda verbeteringen door. Hij versterkte de discipline binnen het leger en breidde het aantal reguliere soldaten uit tot ongeveer 2.000. Het leger was daarmee het grootste sinds de tijd van gouverneur-generaal Pedro Manuel de Arandía in de jaren 1750 en de Britse bezetting van de Filipijnen.

Ook de marine werd uitgebreid. Onder Anda telde de Spaanse marine in de Filipijnen vijftien schepen, waarvan ongeveer de helft in die periode werd gebouwd of aangekocht. Anda hield persoonlijk toezicht op de scheepsbouw en liet de aanschaf van hout en andere materialen anders organiseren. Hierdoor konden verschillende schepen binnen een jaar tegen relatief lage kosten worden voltooid. De scheepsbouw stond onder leiding van Gabriel de Aristizábal, die daarna het opperbevel over de marine kreeg.

De bestrijding van de Moro-aanvallen bleef echter een belangrijk probleem. Vanuit het zuiden vielen Moro’s regelmatig kustgebieden en schepen aan, waarbij zij inwoners gevangen namen en handelsschepen buitmaakten. Anda stuurde negen expedities tegen de Moro’s, waarvan er vier belangrijke overwinningen opleverden. Ook verbood hij het bouwen van langzaam varende platbodems, die door Chinese handelaren werden gebruikt. In plaats daarvan moesten schepen met een kiel worden gebouwd, omdat die gemakkelijk konden worden onderschept door de snelle vinta’s, kleine Filipijnse zeilboten met drijvers. Verder liet Anda gewapende boten patrouilleren in de wateren tussen het eiland Capones en Punta de Santiago om schepen die de Baai van Manilla binnenvoeren te beschermen. In die jaren werd geen enkel schip dat tussen de Filipijnse eilanden of naar het buitenland voer door de Moro’s buitgemaakt.

Anda liet daarnaast onderzoek doen naar een veiliger vaarroute voor de Manillagaljoenen. Die schepen werden op de route tussen Manilla en Acapulco regelmatig getroffen door zware stormen in de San Bernardinostraat. Een verkenningsexpeditie ontdekte een nieuwe route via Kaap Engaño en Kaap Bojeador. Deze route werd vervolgens gebruikt bij de volgende reizen van de galjoenen. Daarnaast liet hij in 1773 het fregat Buen Fin een nieuwe route over de Stille Oceaan verkennen. Het schip bereikte via een zuidelijker koers de haven van San Blas aan de westkust van Nieuw-Spanje. Deze route maakte theoretisch twee reizen per jaar tussen de Filipijnen en Nieuw-Spanje mogelijk, maar werd door de handelaren van Manilla niet overgenomen.

Anda stimuleerde ook de lokale productie. Langs de kust bij Manilla liet hij moerbeibomen aanplanten en haalde hij geschoolde arbeiders uit China om de zijderupsteelt in de Filipijnen te introduceren. In Majayjay en Santa Ana werden kwekerijen aangelegd voor kaneel, kruidnagel en nootmuskaat. Met de hulp van Catalaanse meestersmeden die hij uit Spanje had meegenomen, liet Anda ook een kanonnenfabriek oprichten, al kon deze wegens geldgebrek niet in bedrijf worden genomen. Fabrieken voor de productie van pek en teer waren wel succesvol. Ook werd geëxperimenteerd met het gebruik van calocotan in plaats van abaca voor het vervaardigen van touw. Voor het eerst werden baggermachines gebruikt om de bedding van de Pasig uit te diepen.

Anda ondersteunde de ondernemer Francisco Salgado bij diens pogingen om indigo te produceren en ijzererts, salpeter en kopererts op te sporen. Hij liet ook onderzoeken hoe het gewonnen ijzererts kon worden verwerkt en wilde daarvoor ijzerwerken oprichten. Ook wilde hij de handel van de Filipijnen met andere delen van Azië uitbreiden. Hij legde handelscontacten met Batavia, Cochin-China en de Mauritius-eilanden en stuurde gezanten naar verschillende Aziatische machthebbers met het doel handelsverdragen te sluiten. Om de tussenhandel te beperken liet hij voorbereidingen treffen voor de aanstelling van een vaste handelsagent in China en aan de Coromandelkust.

Anda wilde ook de positie van Spaanse handelaren versterken. Al vóór zijn benoeming tot gouverneur had hij kritiek geuit op de bescherming die de religieuze orden volgens hem aan Chinese handelaren boden, waardoor Spaanse handelaren in de provincies werden benadeeld. In 1769 werd tijdens het bestuur van Raón de uitzetting van de Chinezen uit de Filipijnen bevolen, maar deze werd slechts gedeeltelijk uitgevoerd. Anda zette het beleid vervolgens voort en voltooide in 1771 de uitzetting van de Chinezen uit Manilla. Daarmee ontstond een tekort aan handelaren in de detailhandel en binnenlandse handel.

Op 18 december 1769 besloot de Spaanse kroon tot de oprichting van het Consulado de Manila, een instelling van kooplieden met bestuurlijke en juridische bevoegdheden. De eerste verkiezingen vonden plaats op 27 mei 1771. Om de positie van de Spaanse handelaren te versterken bracht Anda vier Spaanse kooplieden met ervaring in de detailhandel uit Spanje mee en probeerde hij Spaanse kolonisten naar de Filipijnen te lokken met belastingvrijstellingen en financiële steun voor hun overtocht. Hij hoopte daarmee een Spaanse handelsgemeenschap op te bouwen die de rol van de verdreven Chinese handelaren kon overnemen.

Anda liet ook omvangrijke openbare werken uitvoeren. Onder meer versterkingen, grote kazernes, dijken bij de monding van de Pasig, een kruitmolen en installaties voor de verwerking van ijzererts werden aangelegd of in voorbereiding genomen. Veel van deze projecten konden echter niet volledig worden uitgevoerd.

Financiële problemen, tegenstand en laatste jaren

Hoewel Anda tijdens de eerste helft van zijn bestuur nog weinig tegenstand ondervond, nam de weerstand tegen zijn beleid geleidelijk toe. Binnen de Audiencia kwam hij onder meer in conflict met oidor Juan de Urunuela en fiscal Antonio Andrada, die zich tegen verschillende maatregelen van de gouverneur verzetten. Ook in Spanje groeide de oppositie tegen Anda, met name binnen de Raad van Indië. Zijn gedwongen verwijdering van de augustijnen uit Pampanga in 1771 leidde in 1772 binnen de Raad zelfs tot een voorstel om hem als gouverneur te vervangen, maar Karel III gaf hiervoor geen toestemming.

Anda's ambitieuze hervormingsprogramma liep al snel tegen ernstige financiële problemen aan. Ondanks een sterke stijging van de inkomsten tussen 1770 en 1774 waren de beschikbare middelen onvoldoende om de vele militaire, infrastructurele en economische projecten te bekostigen. Vanuit Mexico arriveerde tussen zijn aantreden in 1770 en het einde van 1773 slechts één subsidie. Om de uitgaven te beperken zag Anda zich genoodzaakt de salarissen van hoge ambtenaren, waaronder die van hemzelf, met maximaal de helft te verlagen en voor openbare werken en militaire expedities een beroep te doen op particuliere bijdragen. Ook leningen van de Obras Pías en de Caja de los Difuntos waren nodig om het bestuur draaiende te houden.

De financiële problemen werden verergerd door natuurrampen. Een zware aardbeving in Manilla verwoestte in 1770 een groot deel van de stad en beschadigde onder meer het gouverneurspaleis. In 1771 werd de stad bovendien getroffen door een ernstige hongersnood. Anda liet rijstvoorraden uit de omliggende provincies in beslag nemen en tegen de oude prijs verkopen om de bevolking van voedsel te voorzien.

Vanaf 1774 werd Anda ernstig ziek. Hij was een groot deel van dat jaar bedlegerig en moest daarna lange tijd herstellen, waardoor zijn medewerkers veel van het dagelijks bestuur overnamen. Dat leidde tot nieuwe klachten over de regering. Intussen kreeg de Audiencia meer invloed en nam de tegenstand vanuit de Raad van Indië verder toe. In december 1775 vroeg Anda de koning om hem van zijn functie te ontheffen en toestemming te geven naar Spanje terug te keren. Karel III stemde met zijn terugkeer in en bepaalde dat Anda na de overdracht van het gouverneurschap zijn plaats in de Raad van Castilië en het daaraan verbonden salaris zou behouden.

In augustus 1776 ontving Anda het vonnis van het Consejo Extraordinario, waarbij hij wegens de wijze waarop hij de rechtszaken tegen Raón en andere functionarissen had behandeld tot een boete van 8.000 peso was veroordeeld. De uitspraak trof hem zwaar en leidde tot een terugval in zijn gezondheid. Hij trok zich terug in Imus, waar hij een aanval van dysenterie kreeg. Zijn toestand verslechterde vervolgens en hij werd overgebracht naar het Hospital de San Felipe in Cavite. Daar overleed hij op 30 oktober 1776 aan waterzucht, twee dagen na zijn 67e verjaardag. Zijn stoffelijk overschot werd het jaar daarop naar Manilla overgebracht en aan de voet van het hoofdaltaar van de kathedraal begraven.

Nagedachtenis en nalatenschap

Het Anda Monument op de rotonde Anda Circle in Manilla
Het monument in Bacolor ter nagedachtenis aan Anda en de periode waarin Bacolor de zetel van de Spaanse regering was

Anda wordt zowel op de Filipijnen als in zijn geboortestreek herdacht met monumenten en plaatsnamen. In Manilla staat het Anda Monument op de rotonde Anda Circle aan de Bonifacio Drive. Deze grote obelisk werd in 1871 op initiatief van gouverneur-generaal Carlos María de la Torre opgericht bij de monding van de Pasig ter ere van Anda en diens rol in het verzet tegen de Britse bezetting. In 1957 werd het monument naar de huidige locatie verplaatst. In 2020 werd het monument gerestaureerd en de omliggende rotonde heringericht.

In Bacolor in de provincie Pampanga, waar Anda tijdens de Britse bezetting zijn bestuur had gevestigd, werd in 1853 bij het huis waar hij had gewoond een monument voor hem opgericht. Dit monument werd tijdens de Filipijnse Revolutie verwoest. Op 29 oktober 2012 werd een nieuw monument ingehuldigd en ingezegend ter gelegenheid van de 250e verjaardag van Bacolor als zetel van de Spaanse regering.

Meerdere Filipijnse gemeenten dragen de naam Anda. De gemeente Anda in de provincie Pangasinan, in 1849 als zelfstandige gemeente ingesteld, is naar Simón de Anda vernoemd. Ook de gemeente Anda op Bohol, in 1875 ontstaan uit het voormalige Quinale, draagt die naam, maar de herkomst ervan is niet eenduidig vastgesteld. Volgens de ene verklaring verwijst de naam naar Simón de Anda, volgens een andere heeft Anda betrekking op de beweging van de door de zee gevormde landmassa’s.

Ook in Álava, waar hij werd geboren, wordt aan Anda herinnerd. In Vitoria-Gasteiz, de gemeente waar zijn geboortedorp Subijana de Álava tegenwoordig onderdeel van uitmaakt, is de straat Calle de Simón de Anda naar hem vernoemd. In Subijana de Álava staat bovendien het Palacio Casa Simón de Anda y Salazar, een 18e-eeuws barok herenhuis dat werd gebouwd in opdracht van Simón de Anda en is aangewezen als beschermd cultureel erfgoed.

Bronnen

Verklarende noten

  1. ↑ Een oidor supernumerario was een extra benoemde rechter naast het reguliere aantal leden van de Audiencia.
  2. ↑ Beide meestersmeden overleden echter kort na aankomst, waardoor het plan om de ijzerproductie te hervatten niet kon worden uitgevoerd.
  3. ↑ Het vonnis bepaalde dat de boete van 8.000 peso als volgt moest worden verdeeld: 4.000 peso voor de weduwe en kinderen van Raón, 2.000 peso voor Cosío, 1.000 peso voor José Raón jr. en 1.000 peso voor José Delgado. Sentencia del Consejo Extraordinario en vista de las causas hechas por Simón de Anda y Salazar contra Raón, Cosío, su secretario, y otros que en ella se expresa, Madrid, 13 juli 1775, APA, Pastells, CVII, p. 229–231, 240–241.
  4. ↑ Montero y Vidal (Tomo II, 1894) vermeldt onder de tijdens Anda's bestuur gebouwde schepen de San Carlos, San José, Nuestra Señora del Rosario, San Telmo, Santa Rosa, Santo Niño en de Lorcha Soledad, naast twee sloepen en verschillende kleinere vaartuigen.
  5. ↑ Het Consulado de Manila werd ingericht volgens de handelsvoorschriften die in Bilbao en Burgos van kracht waren. Het bestond uit een prior, twee consuls en verschillende leden, voor wie onder meer eisen golden ten aanzien van verblijfsduur en kapitaal.

Referenties

  1. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 María Lourdes Díaz-Trechuelo en Marquesa López-Spínola, Simón de Anda y Salazar, Historia Hispánica, Real Academia de la Historia, geraadpleegd op 3 augustus 2026.
  2. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 Salvador P. Escoto, The Administration of Simón de Anda y Salazar, Governor-General of the Philippines, 1770–1776, proefschrift, Loyola University Chicago, 1973, p. 2-3, online via deze link
  3. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 Eduardo Navarro, Documentos indispensables para la verdadera historia de Filipinas, deel I, Manila, 1908, p. 9-44, online via Internet Archive.
  4. ↑ Archivo General de Indias (1764), Carta de Simón de Anda sobre los títulos con que salió de Manila, FILIPINAS,608,N.2.
  5. ↑ José Montero y Vidal (1887), Historia general de Filipinas, deel II, Madrid, pp. 38-39.
  6. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Shirley Fish (2003), When Britain Ruled the Philippines 1762–1764: The Story of the 18th Century British Invasion of the Philippines During the Seven Years War, 1st Books Library, Bloomington, p. 139-159.
  7. 1 2 Ian Christopher B. Alfonso, Filipino Natives in Simon de Anda’s Government During the British Invasion of Manila, 1762–1764, in Maria Christina Martinez-Juan (red.), The 1762 British Invasion of Spanish-Ruled Philippines: Beyond Imperial and National Imaginaries, Manila/Londen, National Historical Commission of the Philippines / SOAS, 2024, p. 1-26, online via ResearchGate
  8. 1 2 3 4 5 6 7 8 Mark A. Burkholder en D. S. Chandler, Biographical Dictionary of Audiencia Ministers in the Americas, 1687–1821, Westport, Greenwood Press, 1982, p. 14-16.
  9. 1 2 3 Shirley Fish (2003), When Britain Ruled the Philippines 1762–1764: The Story of the 18th Century British Invasion of the Philippines During the Seven Years War, 1st Books Library, Bloomington, p. 160-168.
  10. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Shirley Fish (2003), When Britain Ruled the Philippines 1762–1764: The Story of the 18th Century British Invasion of the Philippines During the Seven Years War, 1st Books Library, Bloomington, p. 169-178.
  11. ↑ Marina Alfonso Mola en Carlos Martínez Shaw, La Armada en El Cabo de Buena Esperanza. La primera expedición del navío Buen Consejo, 1765-1767, Anuario de Estudios Atlánticos, nr. 59, 2013, pp. 431-477.
  12. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 Emma Helen Blair en James Alexander Robertson (1907), The Philippine Islands, 1493–1898, vol. 50: 1764–1800, Cleveland, The Arthur H. Clark Company, pp. 137–190, online via HathiTrust.
  13. ↑ Trinidad Pardo de Tavera, Una memoria de Anda y Salazar, Manilla, Imprenta "La Democracia", 1899, pp. 17-19, 51-55, online via Wikimedia Commons.
  14. ↑ Archivo General de Indias, Carta de Simón de Anda y Salazar a Julián de Arriaga sobre la arribada de la fragata Astrea a la Bahía de la Tabla del Cabo de Buena Esperanza, Portal de Archivos Españoles, 10 april 1770.
  15. 1 2 3 4 5 6 7 Manchado López, Marta María (1990), Las doctrinas agustinas de Filipinas en la segunda mitad del siglo XVIII: su secularización y entrega a clero secular, Archivo Agustiniano, vol. 74, p. 307–360.
  16. 1 2 Montero y Vidal, José (1894), Historia general de Filipinas: desde el descubrimiento de dichas islas hasta nuestros días, Vol. II, Madrid: Est. Tip. de la Viuda é Hijos de Tello, online via deze link.
  17. ↑ Archivo General de Indias, FILIPINAS,390,N.76: Petición de Tomás de Anda sobre regreso de Simón de Anda, 1776–1778, PARES, online via deze link.
  18. ↑ R. Santos jr. (10 september 2014), FAST FACTS: The Anda Monument, Rappler, geraadpleegd op 3 september 2026.
  19. ↑ Renacimiento Manila, Trivia no. 21: Anda Monument, 27 september 2020, geraadpleegd op 5 september 2026.
  20. ↑ Gemeente Bacolor, History of Bacolor, website gemeente Bacolor, geraadpleegd op 3 september 2026.
  21. ↑ Gemeente Bacolor, Inventory of Cultural Property, website gemeente Bacolor, geraadpleegd op 5 september 2026.
  22. ↑ Provincie Pangasinan, Anda, website provincie Pangasinan, geraadpleegd op 3 september 2026.
  23. ↑ Municipality of Anda (Pangasinan), History and Cultural Life of, Philippine Historical Data, geraadpleegd op 3 september 2026.
  24. ↑ Provincie Bohol, Municipality of Anda, website provincie Bohol, geraadpleegd op 3 september 2026.
  25. ↑ Anda, Bohol.ph, geraadpleegd op 3 september 2026.
  26. ↑ Gemeente Vitoria-Gasteiz, Callejero de Vitoria-Gasteiz, website gemeente Vitoria-Gasteiz, geraadpleegd op 3 september 2026.
  27. ↑ Overheid Baskenland, Conjunto de Subijana de Álava (Subijana de Álava, Vitoria), website Overheid Baskenland, geraadpleegd op 3 september 2026.