| Heilige Benedictus | ||||
|---|---|---|---|---|
Benedictus van Nursia (1496–1500), Pietro Perugino, Musée des Beaux-Arts de Lyon | ||||
| Geboren | 480 te Nursia | |||
| Gestorven | 21 maart 543 te Monte Cassino | |||
| Schrijn | Abdij van Monte Cassino | |||
| Naamdag | 21 maart (VO), 11 juli (NO) | |||
| Attributen | Boek, pen, 'ora et labora', kruis, beker met slang, raaf | |||
| Religieuze orde | benedictijnen | |||
| Beroep | schrijver, theoloog, religieuze | |||
| Ambt | abt van Montecassino, ordestichter | |||
| Afbeeldingen | ||||
| Lijst van christelijke heiligen | ||||
| ||||
| Deel van de serie over kloosters en het christelijke monastieke leven | ||
|---|---|---|
Benedictus van Nursia (°480 – † ca. 543), ook bekend als de Heilige Benedictus of Sint-Benedictus, wordt algemeen beschouwd als de vader van het kloosterleven in de Latijnse Kerk. Hij wordt vereerd als heilige in de Rooms-Katholieke Kerk, de Oosters-Orthodoxe Kerk, de Lutheraanse kerken en de Anglicaanse kerk. Hij is vooral bekend vanwege de regel van Benedictus, zijn richtlijnen voor monniken. Deze is in latere eeuwen de dominante kloosterregel geworden binnen het Rooms-Katholicisme, en werd zo een belangrijk fundament voor het westerse kloosterleven, ook buiten de Benedictijnerorde. Bij de regel geldt dat persoonlijke bezittingen opgegeven worden, en goederen binnen het klooster gemeenschappelijk gebruikt. Centraal staat de balans tussen het werken voor de gemeenschap en de spirituele verdieping: het principe ora et labora, Latijn voor 'bid en werk'. In 1964 verklaarde paus Paulus VI de Heilige Benedictus tot patroonheilige van Europa.
De voornaamste bron voor de Heilige Benedictus zijn leven is het tweede boek van de Dialogi van paus Gregorius de Grote. De boeken zijn in een vorm van gesprekken tussen Gregorius en zijn diaken Peter, die hem geliefd was. Het werd in zijn geheel voltooid in 593, 46 jaar na de dood van de Heilige Benedictus. De feiten over de Heilige Benedictus vernam Gregorius van vier van zijn volgelingen: Constantinus, de Heilige zijn opvolger in de abdij van Monte Cassino, Simplicius, diens opvolger, Valentinianus, abt van de 'abdij van Lateranen', en Honoratus, abt van Subiaco.
Benedictus werd geboren in een tijd van onrust en volksverhuizingen. Aanvallen van de Hunnen, de Vandalen of de Germanen hingen steeds in de lucht. Hij werd geboren tot een adellijke familie in Nursia, het huidige Italiaanse Norcia in de buurt van Perugia. Toen Benedictus 20 jaar oud was, ontvluchtte hij Rome en stopte met studeren. Hij trok zich terug in de eenzaamheid van een grot nabij Subiaco. Op weg naar daar kwam hij de Heilige Romanus tegen, deze zou verder in een nabijgelegen klooster verblijven. Benedictus zijn kleding was een haren hemd, en voor voedsel bracht Romanus hem af en toe brood uit het klooster, dat hij in een mandje van boven op een rots tot aan de grot liet zakken. Zo bleef het drie jaren, totdat een priester in een ver verwijderd dorp door God geboden werd om Benedictus op te zoeken en met hem op Pasen brood te breken. Benedictus werd hierna beroemd in de regio, en men begon hem regelmatig te bezoeken.
Uiteindelijk kwam een groep monniken uit Vicovaro tot bij de Heilige Benedictus, smekend hem hun overleden abt op te volgen. Herhaaldelijk weigerde hij hen, maar gaf uiteindelijk in. Hij werd daar echter zo streng geacht dat de monniken het benauwd kregen en hem probeerden te vermoorden door hem een gifbeker voor te zetten. Toen hij die echter zegende, brak de beker. Daarom wordt hij veelal afgebeeld met een beker in de hand waaruit een slang tevoorschijn komt. Hij ontsloeg zichzelf uit zijn ambt en trok terug naar zijn 'geliefde wildernis' van Subiaco, waar hij uiteindelijk de Abdij van Subiaco stichtte. Benedictus begon stilaan de jaloezie van een priester van een nabijgelegen kerk op te wekken. Deze priester, genaamd Florentius, trachtte uiteindelijk de Heilige Benedictus te doden, en zond hem als geschenk een stuk vergiftigd brood. De Heilige Benedictus, hiervan op de hoogte, zegende het brood en bood een raaf om het weg te werpen waar geen mens het kon vinden. Florentius, ziende dat hij de Heilige niet kon doden, trachtte dan de zielen van zijn volgelingen te teisteren. Hij bracht zeven naakte vrouwen in het midden van het klooster en beval hen te dansen voor de kloostergemeenschap. Opdat de monniken in Subiaco niet langer omwille van hem lastiggevallen zouden worden, vertrok de Heilige Benedictus met een klein aantal volgelingen naar Monte Cassino. Daar stichtte hij in 529 de Abdij van Monte Cassino, waar hij later zijn Regel schreef. De Heilige Maurus was een van zijn eerste volgelingen. Andere beroemde volgelingen waren zijn tweelingzus, Scholastica, en de Heilige Placidus.
Het typisch kloosterleven kent zijn oorsprong in de traditie van de Cenobieten, die zich voor de 5e eeuw vooral in het Oost-Romeinse Rijk bevonden. Hierbij was een belangrijk figuur de Heilige Pachomius. Als de grondlegger van de monastiek in het westen wordt vaak de Heilige Johannes Cassianus genoemd. Deze had in 415 de Abdij van Sint-Victor te Marseille gesticht. De Heilige Johannes zou een grote invloed gehad hebben op Benedictus, die zijn volgelingen aanbeval om zijn werken te lezen. Figuren zoals Sint-Maarten en de Heilige Honoratus speelden echter ook een rol. Ze waren immers heremieten die rond zich al snel een groep leerlingen verworven. Het kloosterleven werd in de loop der vroege middeleeuwen meer en meer prevalent, en verspreidde tot in vrijwel alle christelijke contreien. Kloosters werden vaak gesticht op afgelegen plaatsen of op graven van heiligen, waaronder martelaars.
Kloosters werden in de periode na de val van het Romeinse Keizerrijk clusters van kennis en geletterdheid, waardoor ze praktisch gezien ook belast werden met het behouden ervan. Dit deden ze door vele werken uit de oudheid over te schrijven in scriptoria en te bewaren in kloosterlijke bibliotheken. Een bekend voorbeeld hiervan is Cassiodorus, die in de 6e eeuw terugtrok in een klooster en zich ging toeleggen op het kopiëren van manuscripten en het bestuderen van antieke geschriften. Het is gesteld dat door deze nadruk op de waarde van oude geschriften de Grieks-Romeinse cultuur niet geheel verloren ging. Kloosters waren in een latere periode vaak ook economische centra, waarrond vanaf de hoge middeleeuwen regelmatig steden begonnen te groeien. Zo had je bijvoorbeeld de Abdij van Sint-Truiden en de Abdij van Sankt Gallen, maar ook de Abdij van Cluny, waarrond echter geen even grote stad zou uitgroeien, hoewel ze desalniettemin een belangrijk cultureel, politiek en economisch centrum vormde.

De invloed van Benedictus is vooral toe te schrijven aan zijn kloosterregel, de Regula Sancti Benedicti. Er bestonden al wel dergelijke regels, zoals de anonieme Regula Magistri, maar deze werden vaak als te streng of onevenwichtig ervaren, zoals later ook die van de heilige Columbanus. Het gebruik van de regel verspreidde zich doorheen heel christelijk Europa en werd de dominante regel tot ruwweg de 13e eeuw. Volgens Benedictus moesten de monniken drie geloften afleggen: armoede, kuisheid en gehoorzaamheid aan de abt.
De regel kan samengevat worden in twee termen: "Ora et Labora", Latijns voor "Bid en Werk". Soms wordt daar ook "et Lege" aan toegevoegd, "en Lees/studeer". Het bidden wordt gedaan door het acht maal per dag zingen van het getijdengebed. Benedictus koppelde echter het getijdengebed los van een louter communautair gebruik. Zo moeten monniken het getijdengebed bidden ook wanneer ze weg van het klooster zijn. Hierbij creëerde Benedictus een eigen psalter, vandaag nog steeds gebruikt in de Monastieke Officie. De intentie was om op een week tijd alle 150 psalmen gebeden te hebben terwijl enkel de belangrijkste psalmen dagelijks herhaald worden. Dit was een aanzienlijke versoepeling ten aanzien van de woestijnvaders, die alle psalmen op een dag baden.
Benedictus beschouwde ledigheid als vijand van de ziel. Monniken moeten zich daarom dagelijks bezighouden met handenarbeid én de lectio divina, het devotioneel lezen van de Bijbel en de kerkvaders. De precieze indeling van de dag hangt vooral af van de seizoen: vanaf Pasen tot oktober wordt er vooral gewerkt en vanaf oktober tot de paastijd vooral gelezen. De kloosters moeten ook zelfvoorzienend zijn, de monniken moeten dus werken voor hun eigen onderhoud. De regel wijst er op toe dat, wanneer nodig, de monniken zich niet moeten schrikken van het zaaien en telen van gewassen, want enkel dan zouden ze "echte monniken" zijn.
Het privaat eigendom beschouwde Benedictus als ondeugd. Monniken mogen niets bezitten en alles moet gemeenschappelijk gedeeld zijn met het geheel convent. Hierbij beschikt de abt over wie wat verdient of nodig heeft. Bij het betreden van de klooster moet men afzweren van al zijn bezit, noch van ooit iets te bezitten. Dit geldt dubbel voor monniken van hoger komaf, die hierbij onder strengere toezicht zijn. Hun ouders moeten zweren om hun zoon nooit financieel bij te staan of schenkingen geven. Dit geldt in mindere mate ook voor monniken van lagere komaf, maar diegenen wiens ouders helemaal niets bezitten zijn hiervan min of meer vrijgesteld.
Enkele fragmenten uit de regels over de zieken: “Voor alles dient voor de zieken gezorgd te worden… Zij mogen zo vaak als nodig is in bad; de gezonden en met name de jongeren moeten zich hierin beperken. De zieken en herstellenden mogen ook vlees eten om sneller op kracht te komen. Als zij weer beter zijn moeten zij zich weer onthouden van het eten van vlees.”
Een ander fragment over luiheid: “Luiheid is de vijand van de ziel. Daarom moeten de broeders op vaste tijden handarbeid verrichten en op andere tijden heilige geschriften lezen.”

Zijn feest werd vroeger op 21 maart gevierd maar tegenwoordig op 11 juli. Hij wordt aangeroepen als:
Van oudsher bestaat er rond de devotie tot de Heilige Benedictus het gebruik van Sint-Benedictusmedailles. Deze zijn kleine medailles waarop de Heilige Benedictus wordt afgebeeld samen met zijn attributen. Op de achterkant bevindt zich de kruis van Sint-Benedictus samen met een afkorting van het klein-exorcistisch gebed vade retro satana.
Meerdere relieken zijn van hem overgeleverd, waarvan de belangrijkste worden bewaard in de abdijen van Saint-Benoît-sur-Loire en Montecassino, beide belangrijke bedevaartsoorden.
Daarnaast wordt van hem een kleinere reliek bewaard in het schrijn van de XXXVI heiligen in de Sint-Andrieskerk in Antwerpen, afkomstig uit de voormalige Sint-Salvatorabdij.
Op de geboorteplaats van Benedictus en Scholastica, werd in Norcia een klooster gebouwd: de Sint-Benedictusabdij. Dit klooster werd verwoest door de Aardbeving Midden-Italië augustus 2016, de monniken bouwden een nieuwe abdij buiten de stad.