| Slijmerige blekerik | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Slijmerige blekerik (Pholiota lenta) | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pholiota lenta (Pers.) Singer (1951) | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De slijmerige blekerik (Pholiota lenta) is een schimmel uit de familie Strophariaceae. De soort behoort tot het geslacht Pholiota en leeft saprotroof op dood hout en andere houtige plantenresten. De vruchtlichamen groeien vaak op in de bodem verborgen hout, waardoor ze uit de grond lijken te verschijnen. De soort is herkenbaar aan de bleke, sterk slijmerige hoed met witte velumvlokjes en de aanvankelijk lichte lamellen.
De soort werd in 1801 door Christiaan Hendrik Persoon beschreven onder de naam Agaricus lentus. In 1951 plaatste de Amerikaanse mycoloog Rolf Singer de soort in het geslacht Pholiota.
Tot de wetenschappelijke synoniemen behoren:
Deze naamcombinaties worden vermeld door MycoBank.
De hoed heeft een diameter van 3 tot 8 cm, soms tot 10 cm. Aanvankelijk is deze halfbolvormig tot gewelfd, later uitgespreid en soms vrijwel vlak. Het oppervlak is bij vochtig weer sterk slijmerig tot kleverig. De kleur varieert van witachtig crème tot bleek grijsoker of rozig beige, meestal met een iets donkerder, okerbruinig centrum. Op het hoedoppervlak bevinden zich vooral bij jonge vruchtlichamen verspreide witte, vezelige of vlokkige resten van het velum. De hoedrand kan lange tijd aanhangende velumresten vertonen. Bij oudere exemplaren verdwijnen de vlokjes vaak grotendeels.
De lamellen staan dicht opeen en zijn aan de steel aangehecht, soms met een kort aflopend tandje. Aanvankelijk zijn ze witachtig, later verkleuren ze via grijzig beige naar leemkleurig of grijsbruin. De lamelsnede is gaaf tot fijn gewimperd.
De steel is doorgaans 3 tot 8 cm lang en 4 tot 12 mm dik. Hij is cilindrisch of aan de voet enigszins verdikt. Het bovenste gedeelte is witachtig en fijn melig of vezelig. Lager op de steel bevinden zich witte, vezelig-vlokkige schubjes, waaronder een bruinig oppervlak zichtbaar kan zijn. Het witte, spinnenwebachtige gedeeltelijke velum kan een vergankelijke ringzone achterlaten, maar vormt doorgaans geen blijvende, duidelijk ontwikkelde ring. De steelvoet is vaak bruinachtig.
Het vlees is stevig, witachtig tot crème-okerkleurig. De geur kan zwak of radijsachtig zijn. De smaak wordt als mild beschreven.
De sporenprint is roestbruin.
De basidiosporen meten 5,5–7 × 3,5–4,5 µm. Ze zijn gladwandig, dunwandig en elliptisch tot langwerpig in vooraanzicht. In zijaanzicht zijn ze enigszins boonvormig (faseoliform). De kiempore is zeer klein en weinig opvallend. In kaliumhydroxide (KOH) zijn de sporen okergeel tot licht geelbruin.
De basidiën meten 18–23 × 5–6 µm en zijn smal knotsvormig tot enigszins buikig.
De pleurocystiden zijn talrijk, spoelvormig tot buikig en hebben een stompe top. Ze meten 42–60(–65) × 8–14 µm. Hun wanden zijn dun en de inhoud is doorgaans kleurloos in KOH.
De cheilocystiden zijn overwegend breed spoelvormig, dunwandig en kleurloos. Ze meten ongeveer 26–42 × 7–13 µm, afhankelijk van hun vorm.
De caulocystiden komen verspreid of in groepjes op de steel voor. Ze meten 25–100 × (4–)5–18 µm en zijn variabel van vorm, waaronder spoelvormig-buikig, knotsvormig en flesvormig.
De hoedhuid is een sterk gegelatiniseerde ixocutis, opgebouwd uit smalle, min of meer horizontaal liggende, kleurloze tot geelachtige hyfen met een diameter van 1–3 µm. Daaronder ligt een laag van dikkere, okerkleurige tot bruinokerkleurige hyfen van 6–12 µm breed. Deze kunnen gladde tot licht geïncrusteerde wanden hebben. Gespen zijn aanwezig.
De slijmerige blekerik is een saprotrofe houtafbreker. Hij groeit op verterende houtresten, takken en ander houtig materiaal dat vaak onder de strooisellaag of in de humus verborgen ligt. Hierdoor lijken de vruchtlichamen soms rechtstreeks uit de bosbodem te groeien.
De soort wordt zowel in loofbossen als in naaldbossen aangetroffen, onder meer in bossen met beuken. De vruchtlichamen verschijnen afzonderlijk, in kleine groepjes of dicht opeen.
De slijmerige blekerik is bekend uit Europa en Noord-Amerika. De soort is onder meer vastgesteld in Frankrijk, Zweden, Zwitserland, Canada en de Verenigde Staten.
In Nederland is de soort vooral bekend van de hogere zandgronden en Zuid-Limburg. Daar wordt hij als vrij algemeen beschouwd, terwijl hij in andere delen van het land zeldzamer is. De soort opgenomen op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen in de categorie 'gevoelig'.
De slijmerige blekerik kan worden verward met andere lichtgekleurde soorten uit het geslacht Pholiota, waaronder de bleekgele bundelzwam (Pholiota gummosa). De slijmerige blekerik onderscheidt zich onder meer door de aanvankelijk witte lamellen, de bleke, soms grijzig getinte hoed en de witte velumvlokjes. De microscopische kenmerken, waaronder de kleine sporen en de vorm van de cystiden, zijn belangrijk voor een betrouwbare determinatie.
Door zijn gedempte kleuren en groeiwijze op de bosbodem kan de soort ook op een vaalhoed (Hebeloma) lijken. Het voorkomen op verborgen houtresten en de combinatie van macroscopische en microscopische kenmerken helpen bij het onderscheiden van deze geslachten.