| Grijze viltmollisia | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Grijze viltmollisia (Tapesia fusca) | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Tapesia fusca (Pers.) Fuckel (1870) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De grijze viltmollisia (Tapesia fusca, synoniemen: Mollisia fusca, Peziza fusca, Trochila fusca en Phialea fusca) is een schimmel uit de familie Mollisiaceae. De soort leeft saprotroof op dood hout, voornamelijk van loofbomen, en vormt kleine, grijsachtige, schotelvormige vruchtlichamen op een donkere, viltachtige laag van schimmeldraden.
De apotheciën zijn klein, doorgaans minder dan 2 mm in diameter, en groeien afzonderlijk of in groepen dicht bij elkaar. Ze zijn ongesteeld en aanvankelijk bekervormig. Bij het ouder worden vlakken ze af tot schotel- of schijfvormige vruchtlichamen. Van Vooren (2010) beschreef exemplaren met een diameter van 0,1–0,5 mm. Het hymenium is aanvankelijk donkergrijs en wordt later lichter, soms met blauwachtige tinten. Volgens de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe kan het hymenium ook bleekgrijs tot lichtgelig zijn, met een bruine rand. De rand is vaak lichter dan het hymenium en kan witachtig tot bruinachtig zijn.
De buitenzijde is grijsachtig tot bruinachtig. De vruchtlichamen ontwikkelen zich op een donkere tot bijna zwarte, viltachtige laag van schimmeldraden, het subiculum. Dit vormt een belangrijk kenmerk van de soort. Bij onderzoek van vers materiaal werd een gele verkleuring vastgesteld na toevoeging van een oplossing van 4% kaliumhydroxide (KOH). De aanwezigheid van een duidelijk subiculum en de intensiteit van deze reactie kunnen echter variëren.
De ascosporen zijn langwerpig, spoelvormig tot enigszins cilindrisch, glad, kleurloos (hyaliene) en niet gesepteerd. Ze bevatten doorgaans enkele zeer kleine oliedruppeltjes. Volgens de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe meten de sporen 9–14 × 2–2,5 µm. Van Vooren (2010) beschreef sporen van 11,2–13 × 2,5–3 µm, met een gemiddelde van 12 × 2,8 µm.
De asci zijn cilindrisch, achtsporig en meten volgens Van Vooren 59–64 × 5,5–6 µm. Ze ontstaan vanuit haken aan de basis. De apicale ring vertoont een positieve amyloïde reactie met Lugols oplossing (IKI+). De sporen liggen min of meer in twee rijen in de asci.
De parafysen zijn cilindrisch, kleurloos en ongeveer 2,5–3 µm breed. Ze bevatten een opvallende, lichtbrekende vacuole. Het buitenste weefsel van het vruchtlichaam (excipulum) bestaat uit donker gepigmenteerde, relatief dikwandige cellen met een min of meer hoekige vorm. De randcellen zijn knotsvormig en kleurloos. Van Vooren beschreef randcellen van 40–50 × 4–5 µm.
De grijze viltmollisia leeft als saprotroof op afgestorven hout. De soort groeit op gevallen takken, twijgen, stronken en stammen van verschillende loofbomen. Vooral els (Alnus) wordt vaak als substraat aangetroffen. Daarnaast is de soort bekend van onder meer Fagus, berk, eik, wilg, populier, es en Amerikaanse vogelkers. Incidenteel zijn ook vondsten op naaldhout gemeld.
De soort komt voornamelijk voor in vochtige loofbossen, waaronder elzenbroekbossen en elzen-vogelkersbossen. Ook in gemengde bossen, jonge bosaanplant en andere bosmilieus met voldoende dood hout kan hij worden gevonden. In Drenthe is een duidelijke voorkeur vastgesteld voor afgestorven takken van zwarte els (Alnus glutinosa), vooral in elzenbroekbossen op natte veengrond en in elzen-vogelkersbossen op vochtige, basenhoudende bodem.
De grijze viltmollisia komt verspreid over Nederland voor. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas geldt de soort op basis van gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023 als vrij zeldzaam. In het Overzicht van de Paddenstoelen in Nederland (1995) werd al opgemerkt dat de soort vermoedelijk algemener is dan het aantal geregistreerde vondsten doet vermoeden. De geringe afmetingen van de vruchtlichamen en de moeilijkheid om verschillende mollisiasoorten van elkaar te onderscheiden kunnen bijdragen aan onderregistratie.
In Drenthe wordt de soort vooral aangetroffen in vochtige, voedselrijke loofbossen en elzenbroekbossen. De Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe vermeldt dat veel waarnemingen afkomstig zijn uit gericht mycosociologisch onderzoek waarbij bijzondere aandacht werd besteed aan kleine zakjeszwammen. De soort werd daar als zeldzaam beschouwd, maar is vermoedelijk op meer plaatsen aanwezig.
De grijze viltmollisia kan worden verward met andere soorten uit het geslacht Mollisia, vooral met de gedrongen mollisia (Mollisia cinerea). Deze heeft doorgaans grijze, schotelvormige vruchtlichamen, maar ontwikkelt gewoonlijk geen duidelijk donker subiculum. Bovendien zijn de sporen bij M. cinerea doorgaans kleiner, ongeveer 7,5–10 × 2,5–3 µm, en blijft een reactie met 4% KOH uit.
De aanwezigheid van een subiculum is op zichzelf onvoldoende voor een zekere determinatie, omdat dit kenmerk kan variëren. Voor een betrouwbare identificatie zijn daarom ook microscopische kenmerken nodig, waaronder de sporenvorm, sporenafmetingen, het aantal en de grootte van de oliedruppeltjes en de structuur van het excipulum. Ook de reactie op KOH kan bijdragen aan de determinatie.
De soort werd in 1795 door Christiaan Hendrik Persoon beschreven onder de naam Peziza fusca. De Duitse mycoloog Karl Wilhelm Gottlieb Leopold Fuckel plaatste de soort in 1870 in het geslacht Tapesia, waarmee de combinatie Tapesia fusca ontstond. In 1871 bracht de Finse mycoloog Petter Adolf Karsten de soort onder in het geslacht Mollisia onder de naam Mollisia fusca.
Andere combinaties zijn Trochila fusca (Pers.) P. Karst. en Phialea fusca (Pers.) Gillet. Ook Mollisia convexula Feltgen wordt door Species Fungorum als taxonomisch synoniem behandeld.
Over de geslachtsindeling bestaan verschillende taxonomische opvattingen. Index Fungorum en Species Fungorum behandelen Tapesia fusca als de huidige naam, terwijl de Nederlandse NDFF Verspreidingsatlas de combinatie Mollisia fusca gebruikt. Ook Van Vooren (2010) behandelde de soort onder de naam Mollisia fusca.