Thaxterogaster

Thaxterogaster
Thaxterogaster herpeticus
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Cortinariaceae
Geslacht
Thaxterogaster
Singer (1951)
Thaxterogaster op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

Thaxterogaster is een geslacht van schimmels uit de familie Cortinariaceae. Het geslacht werd in 1951 beschreven door de mycoloog Rolf Singer. De typesoort is Thaxterogaster magellanicus.

Het geslacht omvat zowel plaatjeszwammen als soorten waarvan de vruchtlichamen een truffelachtige bouw hebben. Veel soorten werden vroeger tot het geslacht Cortinarius (gordijnzwammen) gerekend. Volgens de in 2022 voorgestelde moleculaire indeling omvat Thaxterogaster ongeveer tweehonderd soorten. De soorten leven als ectomycorrhizavormende schimmels in samenwerking met bomen.

Taxonomie

Singer beschreef Thaxterogaster oorspronkelijk voor schimmels met ondergrondse of gedeeltelijk ondergrondse vruchtlichamen. Later fylogenetisch onderzoek toonde aan dat deze soorten nauw verwant zijn aan bepaalde gordijnzwammen. Daarom werd Thaxterogaster aanvankelijk bij Cortinarius ondergebracht.

In 2022 stelden Liimatainen et al. op basis van DNA-onderzoek een nieuwe indeling van de familie Cortinariaceae voor, waarin Thaxterogaster opnieuw als afzonderlijk geslacht werd erkend. Daarbij werden ook verschillende soorten met normale hoeden en lamellen naar dit geslacht overgebracht.

Deze opsplitsing is niet onomstreden. Gallone, Kuyper en Nuytinck concludeerden in 2024 dat de beschikbare fylogenetische gegevens onvoldoende ondersteuning bieden voor een definitieve opsplitsing van Cortinarius in tien geslachten.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

De vruchtlichamen vertonen een grote morfologische variatie. De meeste soorten vormen bovengrondse paddenstoelen met een hoed, lamellen en steel, maar er komen ook soorten met gesloten, truffelachtige vruchtlichamen voor.

Bij de plaatjesvormende soorten is de hoed doorgaans 1 tot 12 cm breed. Hij is aanvankelijk halfbolvormig en wordt later gewelfd tot uitgespreid. Het oppervlak kan glad, radiaal vezelig of fijn geschubd zijn en is afhankelijk van de soort droog, kleverig of sterk slijmerig.

De lamellen zijn meestal dicht tot matig dicht opeen geplaatst en kunnen aanvankelijk witachtig, grijzig, bruinachtig, groenachtig of violetachtig zijn. De steel is cilindrisch, knotsvormig of knolvormig verdikt. Bij sommige soorten is de knol duidelijk gerand.

Het velum kan vliezig, vezelig of slijmerig zijn. Bij verschillende soorten zijn restanten zichtbaar als gordels of vezelige zones op de steel. De geur is vaak onopvallend, maar sommige soorten hebben een honingachtige of zoete geur.

Microscopische kenmerken

De basidiosporen variëren sterk in grootte en vorm. Bij de meeste soorten zijn ze ellipsoïde, amandelvormig tot spoelvormig en fijn tot duidelijk wrattig geornamenteerd.

De hoedhuid (pileipellis) van de plaatjesvormende soorten is doorgaans tweelagig opgebouwd. De buitenste laag kan bij slijmerige soorten sterk gegelatineerd zijn, terwijl daaronder een meer compacte laag van hyfen aanwezig is.

Gedifferentieerde cystiden ontbreken doorgaans. De basidiosporen zijn bij de meeste soorten bruinachtig gepigmenteerd.

Ecologie en verspreiding

Soorten van Thaxterogaster zijn ectomycorrhizavormers. Ze groeien op de bodem in bossen en vormen symbiotische relaties met verschillende boomsoorten.

Op het noordelijk halfrond komen ze onder meer voor bij dennen, spar, beuken, eiken, berken en linden. Op het zuidelijk halfrond zijn verschillende soorten verbonden met bomen uit de familie Nothofagaceae.

Het geslacht heeft een wereldwijde verspreiding. Naast Europa en Noord-Amerika zijn soorten bekend uit Azië, Zuid-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland.

Ondergeslachten

Liimatainen et al. (2022) onderscheidden aanvankelijk zes ondergeslachten. In 2025 werd ook het eerder binnen Cortinarius beschreven ondergeslacht Vibratiles formeel naar Thaxterogaster overgebracht.

In deze indeling worden zeven ondergeslachten onderscheiden:

Ondergeslacht Vibratiles

Het ondergeslacht Vibratiles werd oorspronkelijk in 2023 beschreven als Cortinarius subgen. Vibratiles door Soop, Orlovich en Dima. Wang en Yang brachten het in 2025 over naar Thaxterogaster. De typesoort is de gele galgordijnzwam (Thaxterogaster vibratilis).

De soorten van dit ondergeslacht hebben meestal kleine tot middelgrote vruchtlichamen met een kleverige tot slijmerige hoed. De hoed is doorgaans bleek, witachtig of geelachtig, maar kan ook oranjebruin, roodbruin of violetachtig zijn.

De lamellen zijn aanvankelijk witachtig tot licht grijsbruin. De steel is meestal slank en cilindrisch tot enigszins knotsvormig. Het gordijn (cortina) is vaak slechts zwak ontwikkeld.

De sporen zijn overwegend ellipsoïde, relatief klein en zwak wrattig. Ze meten meestal ongeveer 6–8(–10) × 3,5–5 µm. Opvallend is dat veel soorten een bittere smaak hebben.

Tot het ondergeslacht behoren de volgende secties:

  • Sectie Vibratiles
  • Sectie Caustici
  • Sectie Microspermi
  • Sectie Olorinati
  • Sectie Verniciori

Sectie Vibratiles

De sectie Vibratiles werd oorspronkelijk door Jacques Melot beschreven binnen Cortinarius. In 2022 werd zij door Niskanen en Liimatainen overgebracht naar Thaxterogaster. De typesoort is Thaxterogaster vibratilis.

De soorten zijn vooral herkenbaar aan hun slijmerige hoed, vaak lichte of geelachtige kleuren, relatief kleine ellipsoïde sporen en dikwijls sterk bittere smaak.

Tot deze sectie worden onder meer gerekend:

  • Thaxterogaster alboamarescens
  • Thaxterogaster barbatus
  • Thaxterogaster carneus
  • Thaxterogaster croceocoeruleus
  • Thaxterogaster melleomitis
  • Thaxterogaster ochroamarus
  • Thaxterogaster psilomorphus
  • Thaxterogaster vibratilis – gele galgordijnzwam

De sectie komt voor op zowel het noordelijk als het zuidelijk halfrond. Verschillende soorten groeien in naaldbossen, maar er zijn ook soorten die met loofbomen samenleven.