| Vale champignon | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Agaricus depauperatus (F.H. Møller) Pilát (1951) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Psalliota depauperata | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De vale champignon (Agaricus depauperatus) is een schimmel uit de familie Agaricaceae. De soort leeft saprotroof op de grond, onder andere in schrale duingraslanden, bossen en parken. Hij groeit vooral op humusrijke bodems en heeft een voorkeur voor zandige grond.
De hoed heeft een diameter van 5–8(–10) cm. Aanvankelijk is deze bijna bolvormig, afgeknot kegelvormig of vrijwel cilindrisch. Later wordt de hoed gewelfd tot vlakgewelfd. De kleur is variabel, van wit of grijswit tot beige, licht okerbruin of vuil rozebruin, soms met grijsachtige of roze tinten. Het oppervlak is fijnvezelig en kan kleine, aangedrukte schubjes dragen. De hoedrand steekt iets voorbij de lamellen en kan resten van het velum vertonen.
De lamellen staan vrij van de steel, zijn tamelijk dicht opeengeplaatst en bevatten kortere tussenlamellen. Ze zijn aanvankelijk witachtig roze, worden vervolgens roze en uiteindelijk donkerbruin met een roodachtige zweem. De snede blijft doorgaans lichter van kleur.
De steel is 4–7(–9) cm lang en 1–1,5(–1,7) cm dik. Hij is meestal cilindrisch, soms iets verdikt aan de basis of spoelvormig. De kleur is wit, soms met roze of bruinachtige tinten. Jonge exemplaren hebben een gevulde steel, die later gedeeltelijk hol wordt. Het oppervlak is fijnvezelig tot zijdeachtig. Hoog aan de steel bevindt zich een witte, vliezige annulus (ring), waarvan de rand vaak dubbel is en kleine tandvormige schubjes draagt.
Het vlees is wit en verkleurt bij doorsnijden zwak roze-oranje tot wijnroze, vooral bij de overgang tussen hoed en steel en in het bovenste deel van de steel. Naar de steelbasis kan een geelachtig oranje verkleuring optreden. De geur is zwak en enigszins zurig, zonder duidelijke amandelgeur.
De Schaeffer-reactie is negatief. Bij toepassing van een oplossing van 10% kaliumhydroxide (KOH) kan de steelbasis aan het oppervlak okeroranje en in het vlees geel tot geeloranje verkleuren.
De sporen zijn glad, ellipsoïdaal tot langwerpig en bruin in de sporenmassa. Ze meten 6,2–9,5(–10) × 4,5–5,5(–6) µm, met een lengte-breedteverhouding (Q) van 1,40–1,82.
De basidiën zijn knotsvormig, viersporig en meten 20–32 × 7,5–10 µm. De cheilocystiden zijn talrijk aanwezig op de lamelsnede. Ze zijn knotsvormig, peervormig tot bijna bolvormig en meten 18–30(–40) × 8–18(–20) µm.
De hoedhuid bestaat uit min of meer parallel lopende, zwak gepigmenteerde hyfen met een diameter van 4–8 µm. Deze zijn slechts weinig vertakt.
De vale champignon is een terrestrische saprotroof die groeit op de grond en op humusrijk substraat. In Nederland wordt de soort onder andere aangetroffen in schrale duingraslanden op zandige, zwak zure grond. Daarnaast zijn vondsten bekend uit graslanden, wegbermen, parken, loofbossen en naaldbossen.
De soort wordt doorgaans alleenstaand of in kleine groepen aangetroffen. Vruchtlichamen kunnen verschijnen van mei tot november.
De vale champignon komt verspreid in Europa voor, maar wordt op veel plaatsen als zeldzaam beschouwd. De soort is oorspronkelijk beschreven uit Denemarken. Daarnaast zijn vondsten bekend uit onder meer Spanje, Groot-Brittannië en Noord-Afrika.
In Nederland is de vale champignon 'zeer zeldzaam'. In het Overzicht van de Paddestoelen in Nederland uit 1995 werd de soort als uiterst zeldzaam vermeld, met een vindplaats bij Den Hoorn op Texel. Inmiddels zijn ook waarnemingen bekend uit verschillende andere provincies, waaronder Flevoland, Noord-Brabant, Drenthe, Utrecht en Zuid-Holland.
De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen in de categorie 'gevoelig'. Voor een betrouwbare determinatie is microscopisch onderzoek noodzakelijk. Het bewaren van goed geconserveerd herbariummateriaal wordt aanbevolen.
De vale champignon lijkt op de gewone anijschampignon (Agaricus arvensis). De vale champignon onderscheidt zich onder meer door de vaak leergele tot vuil rozebruine, fijnvezelige hoed, de ontbrekende amandelgeur en het vlees dat bij doorsnijden zwak wijnroze kan verkleuren.
Vanwege de variabele hoedkleur en de gelijkenis met andere champignonsoorten kunnen microscopische kenmerken, met name de relatief grote sporen en de talrijke knots- tot bolvormige cheilocystiden, belangrijk zijn voor de determinatie.
De soort werd in 1950 door de Deense mycoloog F.H. Møller oorspronkelijk beschreven onder de naam Psalliota depauperata. In 1951 plaatste Albert Pilát de soort in het geslacht Agaricus, waarmee de huidige wetenschappelijke naam Agaricus depauperatus ontstond.
Ook Agaricus deylii Pilát, beschreven in 1951, wordt als synoniem beschouwd. De oorspronkelijke beschrijvingen verschilden vooral in hoedkleur en sporenafmetingen. Onderzoek aan verschillende collecties liet echter zien dat deze kenmerken binnen de soort sterk kunnen variëren.