
Een kop- of wendakker is een gedeelte aan weerszijden van een bouw- of grasland waar trekdieren of tractoren aan het einde van een werkgang omdraaien. Deze stroken worden tijdens het vele draaien intensief bereden bij het uitvoeren van grondbewerking of gewasbescherming. In het geval dat een perceel rechthoekige van vorm is, lopen de werkgangen parallel met de twee langste zijden en bevinden de wendakkers zich bij de twee kortste zijden. Bij grondbewerking is de wendakker de strook die het laatst bewerkt wordt om op die manier de draaisporen erop uit te wissen en de akker netjes achter te laten. Sommige akkerbouwers laten de wendakkers braak liggen aangezien het gewas op deze strook minder opbrengt door de compactie van de tractorbanden. De breedte van een wendakker, ongeveer zes tot 12 meter, is vooral afhankelijk van hoeveel plaats nodig is bij het draaien van werkgang naar werkgang.
Bij het bemesten van de landbouwgrond in het voorjaar kan de wendakker ook gebruikt worden voor de tijdelijke opslag van vaste mest. In het najaar kan de wendakker dan weer dienst doen als tijdelijke opslag voor bijvoorbeeld suikerbieten. Bij een boomgaard is er vaak aan weerszijden een wendakker aanwezig zodat machines plaats hebben om te kunnen draaien na elke werkgang.