| Werner Best | ||||
|---|---|---|---|---|
Best in 1942 | ||||
| Volledige naam | Karl Rudolf Werner Best | |||
| Geboren | 10 juli 1903 Darmstadt | |||
| Overleden | 23 juni 1989 Mülheim an der Ruhr | |||
| Land/zijde | NSDAP | |||
| Dienstjaren | 1931-1945 | |||
| Rang | Obergruppenführer | |||
| Ander werk | Diplomaat, jurist, politicus | |||
| ||||
Karl Rudolf Werner Best (Darmstadt, 10 juli 1903 – Mülheim an der Ruhr, 23 juni 1989) was een Duits jurist, diplomaat en staatsvertegenwoordiger tijdens de Tweede Wereldoorlog in Denemarken van november 1942 tot het einde van de bezetting in 1945. Hij was lid van het Duitse NSDAP en van de SS als Obergruppenführer.
Best groeide op in Darmstadt en moest al op vroege leeftijd voor zijn moeder en jongere broer zorgen. De dood van zijn vader, de nederlaag van Duitsland in de Eerste Wereldoorlog en de Franse bezetting van het Rijnland-Palts bepaalden zodoende Bests leven en carrière. Als middelbare scholier in de door Frankrijk bezette stad Mainz was hij zeer actief bij verschillende Duits-nationalistische bewegingen. Als zestienjarige veroorzaakte hij opschudding toen hij, in aanwezigheid van zijn leraren en leeftijdsgenoten, weigerde een prijs voor toewijding in ontvangst te nemen uit de hand van een Franse officier. Tijdens een ceremonie deelden Franse autoriteiten een aantal boekenprijzen uit aan studenten die uitblonken in het Frans. Best stapte op de officier af, keek hem in de ogen aan en zei: "Mijn vader is gevallen in de strijd tegen Frankrijk, en daarom kan ik van geen enkele Fransman een geschenk aannemen." In diezelfde tijd werden Franse soldaten onder dwang bij Duitse inwoners geplaatst; Mevrouw Best liet tot 1930 enkele soldaten bij haar inwonen.
Nadat hij zijn toelatingsexamen had behaald, begon hij in 1921 aan een studie rechten. In zijn studententijd was hij actief in rechts-radicale bewegingen. In 1924 veroordeelde een Franse militaire rechtbank hem tot drie jaar gevangenisstraf wegens lidmaatschap bij verboden organisaties. Hij zat slechts een half jaar van zijn straf uit voordat hij werd vrijgelaten als onderdeel van een algemene amnestie. Ondanks zijn intensieve politieke activiteit studeerde hij in 1925 af. In 1927 promoveerde hij op een proefschrift over een arbeidsrechtelijk vraagstuk. Nadat hij in 1928 met goede resultaten het tweede staatsexamen had afgelegd werd hij kantonrechter.
In de jaren twintig was Best lid van de Duitse Nationale Volkspartij (DNVP), maar nadat de nazi’s een overwinning behaalden bij de Reichstag-verkiezingen in september 1930, sloot hij zich in november aan bij de NSDAP. Hij kwam onder de ideologische invloed van Ernst Jünger, die hem overhaalde een bijdrage te leveren aan een bloemlezing die Jünger aan het schrijven was. Krieg und Krieger (Oorlog en krijgers) verscheen in 1930 en bevatte Bests essay Der Krieg und das Recht (De oorlog en de wet), waarin Best zijn kijk op oorlog als fenomeen en zijn opvatting over het begrip "recht" uiteenzette. In zijn essay verwierp Best het internationaal recht als internationaal rechtssysteem.
Al in 1931 werd hij nazi-lid van de Landtag in Hessen. In hetzelfde jaar werd hij het middelpunt van het schandaal rond de zogenaamde Boxheim-documenten, genoemd naar het landgoed in Worms waar ze werden geschreven. Het waren geheime nazi-papieren die naar de pers waren gelekt. In de documenten werd beschreven hoe de NSDAP een gewelddadige machtsgreep voor ogen had. Toen werd ontdekt dat Best de auteur was, werd hij uit zijn functie als rechter ontslagen. In verband met deze zaak had Best zijn eerste persoonlijke ontmoeting met Adolf Hitler. Hoewel de openbaarmaking van de documenten op een voor de nazi's uiterst ongunstig moment kwam, werd hij vriendelijk ontvangen door de partijleider. Eind 1931 werd hij lid van de SS.

Best was lid van de Landtag die in 1933 de leiding hadden in Hessen. Hij was nauw betrokken bij de overname en werd onmiddellijk hoofd van de politie in Hessen. Kort daarna werd het voormalige partijlid dat eerder de Boxheim-documenten had onthuld op een ochtend dood aangetroffen bij een spoorlijn. Tot aan zijn eigen overlijden werd Best er sterk van verdacht achter deze moord te zitten. Als politiechef maakte hij ook naam door in 1933 een concentratiekamp op te zetten in Osthofen, waar honderden tegenstanders van het regime voor onbepaalde tijd werden vastgehouden in Schutzhaft (preventieve hechtenis). Dat kamp en het veel grotere kamp in Dachau waren de eerste concentratiekampen van Duitsland. Er stierf echter niemand in Osthofen en in juli 1934 werd het kamp opgeheven als een van de laatste "vroege" concentratiekampen.
Best werd na meerdere onenigheden met de partijleiding van Hessen ontslagen als politiechef. Een van de oorzaken hiervan was het feit dat hij nog altijd verdacht werd van de moord op de persoon die de Boxheim-documenten had onthuld. Ondertussen trok hij de aandacht van Heinrich Himmler.
Himmler gaf Best de taak om de veiligheidsdienst van het SS-korps – de SD – in het Zuid-Duitse gebied op te bouwen en te leiden. Hij werd nu een belangrijk onderdeel van de actie tegen de SA – de nacht van de lange messen – op 30 juni 1934. Het was Best persoonlijk die de arrestatie- en dodenlijsten voor Zuid-Duitsland opstelde en daarmee verantwoordelijk was voor de moord op ten minste 28 mensen. Hierna ging Best naar Berlijn, waar hij werkte op het hoofdkwartier van de geheime staatspolitie, de Gestapo. In de daaropvolgende jaren werd hij het brein achter de politisering en brutalisering van de Duitse politie die eind jaren dertig plaatsvond. Het was de taak van Best om de Gestapo te beveiligen tegen controle door buitenstaanders. Het ministerie van Justitie verloor het recht om toezicht te houden op de Gestapo en de concentratiekampen. Klachten over de Gestapo konden bij niemand worden ingediend. Best zorgde er ook voor dat Gestapo- en kampgevangenen het recht op juridische bijstand verloren. Best rechtvaardigde zelf de brutaliteit met het feit dat het Duitse volk tegen interne en externe doodsvijanden vocht, met de Gestapo als korps dat dezelfde vrijheid van handelen moest krijgen als een leger in oorlog tot zijn beschikking heeft. Volgens hem was de politie een arts die ziekten bestreed bij "het Duitse volk". Door tegenstanders van het regime toegang te geven tot bijvoorbeeld juridische bijstand, zou de vijand een helpende hand worden geboden. Als Best op weerstand stuitte, nam hij contact op met Himmler, die er vervolgens voor zorgde dat Hitler een rijbevel over de kwestie zou uitvaardigen.
In 1939 bevond Best zich op het hoogtepunt van zijn carrière als hoofd van "Afdeling 1" van het Reichssicherheitshauptamt (RSHA) in Berlijn. Als hoofd van de administratie en het personeel bij de Gestapo was hij nummer drie in de pikorde bij de SS- en politieorganisatie, na Himmler en Reinhard Heydrich. In 1941 publiceerde hij het boek Die deutsche Polizei (de Duitse politie), dat verplichte lectuur werd voor nieuwe Gestapo-rekruten. In Polen was het Best die de politietaakgroepen oprichtte, de taskforces ontwikkelden zich al snel tot moordgroepen die ongeveer 11.000 Polen ombrachten.
Best en Heydrich raakten vanwege jaloezie steeds meer met elkaar in conflict. Medio 1940 besloot Best het RSHA te verlaten. Aanvankelijk solliciteerde hij naar het leger en kreeg een paar maanden militaire training. Vervolgens kreeg hij de functie van hoofd van het civiele Duitse bestuur in het bezette deel van Frankrijk. Hier kreeg hij de kans om het "toezichthoudend bestuur" te testen, dat hij later ook in Denemarken deed. Best was nauw betrokken bij de arrestatie van de Franse joden en hun deportatie naar bijvoorbeeld Auschwitz. Hij was niet tevreden met de post in Parijs omdat hij onderschikt was aan de commandant. Na de dood van Heydrich in juni 1942 werd Best gepasseerd voor de functie van hoofd van het RSHA. De functie ging naar Ernst Kaltenbrunner, die na de oorlog ter dood werd veroordeeld tijdens het grote proces wegens oorlogsmisdaden in Neurenberg. Best ging op een aanbod in om in de buitenlandse dienst te gaan met het oog op uitzending.

Na een paar maanden in dienst te zijn geweest bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn, ging Best op 5 november 1942 naar Kopenhagen als de nieuwe Duitse gezant en gevolmachtigde in Denemarken. Hij verving Cecil von Renthe-Fink, die terug was geroepen in verband met de telegramcrisis. Een paar dagen later werd minister van Buitenlandse Zaken Erik Scavenius de nieuwe premier van Denemarken. Best en Scavenius ontwikkelden een hechte band, waardoor Best in Denemarken met veel succes supervisiemanagement kon uitoefenen. In maart 1943 stond hij, tegen het bevel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in, toe dat er in Denemarken algemene verkiezingen werden gehouden. In verband met stakingen en onrust in verschillende Deense provinciesteden in de zomer van 1943 ontving Best een bericht uit Berlijn om zijn greep op het Deense volk te versterken. Nadat in eind augustus de Deense regering noodgedwongen aftrad, werd de militaire noodtoestand uitgeroepen. Het was een grote nederlaag voor Best, die vond dat hij in de politiek geen toegevoegde waarde meer had. De Deense regering bleef echter functioneren met een vorm van een afdelingshoofd, met wie Best ook een goede relatie op te bouwen, Nils Svenningsen, die minister was van Buitenlandse Zaken. Best ging verder als Rijksgevolmachtigde, hoewel hij nu aanzienlijk minder macht had ten opzichte van de andere Duitse aanwezigen: de militaire opperbevelhebber, generaal Hermann von Hanneken en de nieuw gearriveerde hoge SS- en politiechef Günther Pancke.
Om zijn positie te versterken, en omdat hij er vast van overtuigd was dat de joden uit de Duitse machtssfeer moesten worden verwijderd, vroeg Best in september 1943 zijn superieuren in Berlijn om toestemming zodat hij een actie kon ondernemen tegen Deense Joden. Hij kreeg toestemming en de actie werd uitgevoerd in de nacht van 1 op 2 oktober. Er waren geruchten over een dergelijke actie sinds de introductie van de militaire noodtoestand, en de exacte datum van de actie werd door de scheepvaartexpert van Best, Georg Ferdinand Duckwitz, doelbewust gelekt naar de Deense politici. Hierdoor slaagde de overgrote meerderheid van de Joden erin arrestatie te vermijden en naar Zweden te vluchten. De precieze rol van Best met betrekking tot de redding van de Deense Joden is niet volledig opgehelderd. Van de ongeveer 7.000 joden in Denemarken zijn er in totaal 481 gearresteerd. De meeste van hen werden naar het concentratiekamp Theresienstadt gedeporteerd, waar 54 mensen omkwamen.
Vanwege de toenemende sabotage werd Best rond nieuwjaar 1944 opgeroepen voor een ontmoeting met Hitler. Opnieuw kreeg hij de opdracht zijn greep op de Denen te versterken. Hitler wilde niet langer dat Deense vrijheidsstrijders voor de krijgsraad werden gebracht, omdat dit alleen maar martelaars creëerde. In plaats daarvan moest sabotage worden beantwoord met terreur. Na een lichte escalatie omtrent toenemende terreur introduceerde Best in april 1944 opnieuw de behandeling van Deense saboteurs voor de krijgsraad. Echter moest hij een paar maanden later opnieuw terechtstaan voor Hitler, die hem, onder dreiging van gevangenisstraf, dwong de activiteiten van de krijgsraad stop te zetten. Toen Best eind februari 1945 voor de derde keer de krijgsraadprocedure herintroduceerde, had Hitler hier geen oor naar. Bests wens om de gearresteerde Deense vrijheidsstrijders voor de krijgsraad te berechten, kwam voort uit zijn overtuiging dat dit een effectievere methode was om de verzetsbeweging te bestrijden dan terreur. De actie tegen de Deense politie op 19 september 1944 werd uitgevoerd door de hogere SS- en politiechef Günther Pancke, zonder dat Best hiervan op de hoogte was gesteld.
Nadat Hitler in april 1945 zelfmoord had gepleegd bespraken de overgebleven politieke leiders in Flensburg wat er ging gebeuren met de strijd in Denemarken en Noorwegen. Karl Dönitz nam tijdens deze bijeenkomst, waar Best deel van uitmaakte, geen besluit. In de ochtend van 5 mei, toen de capitulatie een feit was, benaderde Best het Deense ministerie van Buitenlandse Zaken en vroeg om bescherming. Hij kreeg een bewaker beschikbaar in zijn privéwoning te Charlottenlund. Op 21 mei werd hij gearresteerd en in het detentiecentrum Kastellet in Kopenhagen geplaatst.
De daaropvolgende zes jaren zat Best in de gevangenis, deels in Denemarken, deels in Neurenberg, waar hij getuigde in het proces tegen oorlogsmisdaden. Het Deense proces tegen hem begon op 16 juni 1948 in de rechtbank van Kopenhagen. De aanklachten tegen Best berustten vooral op zijn verantwoordelijkheid voor de deportatie van de Joden en voor de Duitse terrorismebestrijding. Op 20 september 1948 werd hij ter dood veroordeeld, nadat hij in hoger beroep ging werd dit verkort naar vijf jaar. Dit veroorzaakte zoveel ophef dat de minister van Justitie besloot dat de zaak ook bij de Hoge Raad moest worden behandeld. Hier werd Best in maart 1950 veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf. Uit de vonnissen bleek dat het lastig was zijn verantwoordelijkheid voor de genoemde omstandigheden te bewijzen. Op 29 augustus 1951 kreeg hij, onder druk van West-Duitsland, gratie verleend.
Best kwam in de gevangenis terecht in een langdurige depressie waar zelfmedelijden een grote rol speelde, maar noch in die periode, noch later was er enig teken van daadwerkelijk berouw voor de daden die hij had begaan. Terug in Duitsland werkte Best bij een advocatenkantoor in Essen. Hier en later, toen hij juridisch adviseur werd van de Hugo Stinnes-groep, deed hij grote inspanningen om algemene amnestie te verkrijgen voor veroordeelde nazi's en voor kameraden van de SS.
In maart 1969 werd hij gearresteerd en beschuldigd van deelname aan de verwoestingen van de actiegroepen in Polen. In de aanklacht werd in 8.723 verschillende gevallen medeplichtigheid aan moord vermeld. Het proces kwam echter niet van de grond omdat Best en zijn advocaat beweerden dat hij om gezondheidsredenen niet aan de zaak kon deelnemen. Het kwam tot een lange strijd waar medische rapporten de hoofdrol speelden, voordat de zaak in augustus 1972 tijdelijk werd opgeschort. Best zat toen ruim drie jaar, met onderbrekingen, in hechtenis. In 1979 deed het ministerie van Justitie tevergeefs pogingen de zaak te heropenen. In 1987 werd Best opgeroepen als getuige in een proces over vervolging van Joden in Frankrijk. Hier maakte hij een gezonde indruk waardoor werd besloten zijn gezondheidstoestand opnieuw te laten beoordelen. In april 1989 werd hij geschikt geacht om terecht te staan, en begin juli werd de aanklacht uit 1972 ingediend bij de rechtbank in Duisburg. Echter kwam Best te overlijden op 23 juni 1989.
Op 24 december 1930 trouwde hij met de 21-jarige Hildegart (Hilde) Regner, dochter van een tandarts in Mainz. Het echtpaar kreeg vijf kinderen. Tijdens zijn tijd in Denemarken woonde Best met zijn gezin in het zuiden van het land, dichtbij het Duitse Flensburg. In de periode 1942-1945 had hij een villa in Kollund en Sønderhav.
Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Werner Best op de Deenstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.