| Boomvoetknoopjeskorst | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||
| Woessia modesta (Zwackh ex Vain.) van den Boom & P. Alvarado (2025) | ||||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||||
|
Biatora modesta | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
Boomvoetknoopjeskorst (Woessia modesta, synoniemen: Bacidina modesta, Biatora modesta en Woessia fusarioides) is een korstmossoort uit de familie Ramalinaceae. Het is een korstvormig korstmos dat vooral voorkomt op de schors van loofbomen, met name op beschutte boomvoeten en stammen. De soort vormt doorgaans een fijnkorrelig, groenachtig thallus met opvallende witachtige pycnidiën. Apotheciën zijn bij veel exemplaren afwezig.
De soort werd lange tijd aangeduid als Bacidia sulphurella, Bacidina sulphurella en later Bacidina modesta. Op basis van moleculair onderzoek werd hij in 2025 ondergebracht in het opnieuw erkende geslacht Woessia. De naam Woessia modesta wordt door Index Fungorum en Species Fungorum als de actuele wetenschappelijke naam beschouwd.
Boomvoetknoopjeskorst heeft een dun, korstvormig thallus dat bestaat uit kleine, dicht opeengepakte, groenachtige korreltjes. Deze bestaan uit zogenoemde goniocysten, kleine aggregaten van schimmeldraden en algencellen. De korreltjes zijn ongeveer 20–40 μm groot en kunnen soms enigszins koraalachtige structuren vormen. Het thallus is doorgaans vrij gelijkmatig fijnkorrelig, maar vormt geen duidelijk ontwikkelde soralen. De fotobiont is een chlorococcoïde groenalg.
Apotheciën zijn bij veel exemplaren afwezig. Wanneer ze aanwezig zijn, hebben ze een diameter van ongeveer 0,3–0,8 mm, soms tot 1,2 mm. De schijf is witgrijs tot grijsbruin en kan een zwak violette tint hebben. De rand is meestal bleker en enigszins verheven, soms met een lichte witte berijping. Bij bevochtiging kan de rand donkerder worden dan de schijf.
Pycnidiën zijn doorgaans talrijk aanwezig en vormen een belangrijk herkenningskenmerk. Ze zijn witachtig tot grijzig, soms gelobd of onregelmatig gevormd, en ongeveer 0,15–0,3 mm in diameter. Ze bevatten langgerekte, draadvormige conidiën.
Het thallus vertoont geen kenmerkende kleurreacties met de gebruikelijke korstmosreagentia: K−, C−, KC− en P−. Ook onder uv-licht treedt geen opvallende fluorescentie op (UV−). Er zijn geen specifieke korstmosstoffen in het thallus aangetoond.
De ascosporen zijn kleurloos, smal naaldvormig, recht tot enigszins gebogen en meten doorgaans (19–)24–48 × 0,9–2 μm. Ze hebben meestal één tot drie septa, soms maximaal zeven. De asci zijn knotsvormig tot cilindrisch-knotsvormig, bevatten acht sporen en zijn van het Bacidia-type. Hun apicale structuur reageert met jodium na voorbehandeling met KOH (K/I+) donkerblauw.
De conidiën uit de pycnidiën zijn draadvormig, ongeveer 27–45(–55) × 1–1,7 μm groot en hebben nul tot drie septa. Kenmerkend is dat ten minste één uiteinde sterk haakvormig is gebogen en iets verdikt, waardoor de conidiën aan een wandelstok doen denken. Dit is een belangrijk microscopisch determinatiekenmerk.
Bij exemplaren met apotheciën is het hypothecium donkerbruin tot roodbruin. Dit pigment wordt in de literatuur aangeduid als Arnoldiana-brown. Het verkleurt in KOH donkerbruin. Het hymenium is kleurloos tot lichtbruin aan de bovenzijde en de parafysen zijn ongeveer 1–1,6 μm dik, met enigszins verdikte uiteinden tot 4 μm breed.
Boomvoetknoopjeskorst kan worden verward met andere fijnkorrelige knoopjeskorsten, zoals fijne knoopjeskorst (Woessia adastra, voorheen Bacidina adastra) en nieuwe knoopjeskorst (Woessia neosquamulosa, voorheen Bacidina neosquamulosa). Deze soorten werden bij de herindeling van 2025 eveneens naar het geslacht Woessia overgebracht.
De combinatie van het fijnkorrelige thallus, de vaak aanwezige witte pycnidiën en de kenmerkende haakvormige conidiën is belangrijk voor de herkenning van boomvoetknoopjeskorst.
Ook Bacidina arnoldiana vertoont overeenkomsten. Deze soort groeit vooral op gesteente en heeft conidiën zonder de sterk haakvormig gebogen uiteinden die kenmerkend zijn voor boomvoetknoopjeskorst. Beide soorten werden vroeger regelmatig met elkaar verward. Moleculair onderzoek heeft bevestigd dat het afzonderlijke soorten zijn.
Boomvoetknoopjeskorst groeit voornamelijk op de schors van loofbomen met zure tot neutrale schors. Hij wordt vooral aangetroffen op beschutte boomvoeten, stammen en dikke takken. De soort komt zowel voor in bossen als op bomen in lanen en andere halfbeschaduwde standplaatsen.
In vochtige, beschutte milieus kan de soort ook groeien tussen schorsbewonende mossen of op dood hout, zoals boomstronken. Buiten Nederland is hij incidenteel eveneens gevonden op twijgen, naalden, levende bladeren en gesteente. Onder de genoemde waardbomen bevinden zich onder meer vlier (Sambucus), eik (Quercus), Fagus en es (Fraxinus).
In Nederland wordt boomvoetknoopjeskorst vooral gevonden in bossen en op laanbomen. Hij behoort tot de korstmosvegetaties van de klasse Arthonio-Lecidelletea elaeochromae.
Boomvoetknoopjeskorst heeft een verspreiding in de gematigde delen van Europa. Hij is onder meer bekend uit Nederland, België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Scandinavië. In Scandinavië komt hij vooral in het zuidelijke deel voor, met vindplaatsen tot in Midden-Zweden en langs de westkust van Noorwegen.
In Nederland is boomvoetknoopjeskorst verspreid over het land aangetroffen. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas is het een vrij zeldzame soort. In een Nederlands overzicht uit 2023 werd de soort als vrij algemeen omschreven, maar de auteurs constateerden dat hij leek af te nemen en in het zuiden van Nederland zeldzaam was geworden.
Boomvoetknoopjeskorst staat op de Nederlandse Rode Lijst in de categorie 'niet bedreigd'.
De soort werd oorspronkelijk beschreven onder de naam Biatora modesta Zwackh ex Vain., die in 1922 door de Finse lichenoloog Edvard August Vainio werd gepubliceerd. De combinatie Bacidina modesta werd in 2019 gepubliceerd door de Zweedse lichenoloog Stefan Ekman en medewerkers.
In oudere literatuur werd boomvoetknoopjeskorst vaak aangeduid als Bacidia sulphurella, een naam die in 1924 werd gepubliceerd door de Portugese botanicus Gonçalo Sampaio. In 2010 werd deze naam door Hauck en Wirth gecombineerd tot Bacidina sulphurella. Ekman behandelde beide namen als synoniemen van Bacidina modesta.
Ook Woessia fusarioides, in 1986 beschreven door David Hawksworth, Josef Poelt en medewerkers op basis van de ongeslachtelijke voortplantingsstructuren, wordt tot dezelfde soort gerekend. Deze naam is tevens de typesoort van het geslacht Woessia.
In 2025 concludeerden Van den Boom en Alvarado op basis van fylogenetisch onderzoek dat verschillende soorten die traditioneel in Bacidina waren ondergebracht, tot een afzonderlijke evolutionaire groep behoren. Zij erkenden daarom opnieuw het geslacht Woessia en introduceerden zeven nieuwe naamcombinaties, waaronder Woessia modesta (Zwackh ex Vain.) van den Boom & P. Alvarado.
De combinatie Woessia modesta wordt door Index Fungorum vermeld met als nomenclatorische publicatie Index Fungorum 579: 1 (2025). Ook Species Fungorum behandelt deze naam als de geaccepteerde naam en vermeldt Biatora modesta, Bacidina modesta en Woessia fusarioides als synoniemen.
De namen Bacidia sulphurella en Bacidina sulphurella worden in verschillende taxonomische publicaties eveneens als synoniemen behandeld. Species Fungorum neemt deze namen echter niet op in de synoniemenlijst van Woessia modesta en vermeldt Bacidina sulphurella afzonderlijk als geaccepteerde naam. De naamtoepassing verschilt daardoor tussen de geraadpleegde bronnen.
De Nederlandse NDFF Verspreidingsatlas gebruikt vooralsnog de naam Bacidina modesta voor boomvoetknoopjeskorst.