| Woessia | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||||
| Woessia D. Hawksw. & Poelt (1986) | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Woessia is een geslacht van korstmossen uit de familie Ramalinaceae. Het geslacht behoort tot de orde Lecanorales van de zakjeszwammen (Ascomycota). De soorten hebben een korstvormig thallus en groeien onder meer op boomschors, dood hout, steen, de bodem en bladeren. Het geslacht omvat volgens Species Fungorum acht geaccepteerde soorten (peildatum oktober 2026).
Het geslacht Woessia werd in 1986 beschreven door David Hawksworth en Josef Poelt. De oorspronkelijke typesoort is Woessia fusarioides, die tegenwoordig als een synoniem van Woessia modesta wordt beschouwd.
Gedurende lange tijd werden de soorten van Woessia veelal ondergebracht in het geslacht Bacidina. Moleculair fylogenetisch onderzoek liet echter zien dat de betrokken soorten tot verschillende evolutionaire afstammingslijnen behoren.
In 2025 publiceerden de korstmosspecialisten Pieter van den Boom en Pablo Alvarado een onderzoek naar soorten uit de familie Ramalinaceae. Daarin onderscheidden zij drie afzonderlijke groepen: Bacidia in strikte zin, Bacidina en Woessia. Op basis van hun fylogenetische analyses herstelden zij Woessia als zelfstandig geslacht en publiceerden zeven nieuwe naamcombinaties.
In 2026 beschreef Van den Boom bovendien de nieuwe soort Woessia albosoralifera, waarvan het typemateriaal afkomstig is uit Nederland.
De soorten van Woessia vormen doorgaans een dun, korstvormig thallus dat fijnkorrelig, wrattig of plaatselijk geschubd kan zijn. De kleur varieert van lichtgroen en grijsgroen tot bruingroen. Sommige soorten vormen sorediën of andere korrelvormige structuren voor ongeslachtelijke voortplanting.
De apotheciën zijn meestal klein en schotelvormig. Afhankelijk van de soort zijn ze onder meer bleekroze, bruin, blauwzwart of zwart gekleurd. De rand van het apothecium kan duidelijk zichtbaar zijn of bij oudere vruchtlichamen verdwijnen.
De ascosporen zijn kleurloos, meestal smal en langwerpig tot naaldvormig en kunnen meerdere dwarswanden bevatten. Bij verschillende soorten zijn ook pycnidiën aanwezig, waarin draadvormige conidiën worden gevormd. Voor een betrouwbare determinatie zijn vaak microscopische kenmerken nodig.
De soorten komen op uiteenlopende substraten voor. Verschillende soorten groeien op boomschors of rottend hout, terwijl andere vooral worden aangetroffen op steenachtige ondergronden of de bodem.
In Nederland komt fijne knoopjeskorst (Woessia adastra) onder meer op loofbomen voor. Boomvoetknoopjeskorst (Woessia modesta) groeit voornamelijk op bomen en hout in bossen en langs lanen. Zwarte knoopjeskorst (Woessia egenula) wordt vooral op steen aangetroffen, terwijl kleine knoopjeskorst (Woessia brandii) onder meer op dood hout en op de bodem in heide- en stuifzandgebieden voorkomt.
Woessia albosoralifera werd beschreven aan de hand van materiaal uit Nederland, waaronder materiaal dat op bladeren van Rhododendron werd verzameld. Woessia terricola is onder meer bekend van de Azoren.
Volgens Species Fungorum worden de volgende acht soorten tot het geslacht gerekend (peildatum oktober 2026). De Nederlandse namen volgen de BLWG en de NDFF Verspreidingsatlas, waarin verschillende soorten nog onder de geslachtsnaam Bacidina zijn opgenomen.
Verschillende soorten die in het verleden onder Woessia werden geplaatst, worden tegenwoordig tot Bacidina gerekend. Voorbeelden zijn:
Deze vroegere naamcombinaties worden niet als afzonderlijke geaccepteerde soorten van Woessia meegeteld.