Wouter III Berthout was zoon van Wouter II Berthout en Guda van Loon, hij huwde met Sofie van Holland. Na zijn overlijden zou de familie vertakken in drie belangrijke vertakkingen in Mechelen, Duffel-Geel en Berlaar. Wouter III Berthout kreeg twee zonen: Wouter IV Berthout en Hendrik I Berthout.
Biografie
Wouter III is de zoon van Wouter II Berthout en Margaretha van Grimbergen. Na de dood van zijn vader in 1180 erfde hij de familiebezit dat voornamelijk bestond uit de landen rond Mechelen en het land van Arckel. In die tijd ontsnapte de heerlijkheid Mechelen, een enclave van het prinsbisdom Luik in het hertogdom Brabant, nog aan zijn controle. Met de steun van hertog Hendrik I van Brabant sloeg Wouter III erin zijn invloed te doen toenemen in de stad Mechelen en slaagde er rond 1200 in op zich te laten aanstellen als voogd (advocatus) van het Sint-Romboutskapittel.
De exacte datum van zijn overlijden is niet bekend, maar zou rond het jaar 1202 hebben plaatsgevonden..
Afstamming
Wouter III trouwt met Sofie van Holland. Ze kregen twee zonen:
↑F. van den Branden de Reeth, Recherches sur l'origine de la famille des Berthout (...), Brussel, 1845, p. 59.
12F. van den Branden de Reeth, Recherches sur l'origine de la famille des Berthout (...), Brussel, 1845, p. 63.
↑F. van den Branden de Reeth, Recherches sur l'origine de la famille des Berthout (...), Brussel, 1845, p. 63, E. Neeffs, art. BERTHOUT, Gauthier I, in Biographie Nationale 2 (1868), coll. 316-317.
↑G. Croenen, Familie en Macht, De familie Berthout en de Brabantse Adel, Leuven, 2003, p. 300. Seminarie Brugge, Ter Doest-Ten Duinen, charter nr. 263.
↑F. van den Branden de Reeth, Recherches sur l'origine de la famille des Berthout (...), Brussel, 1845, p. 65.
↑F. van den Branden de Reeth, Recherches sur l'origine de la famille des Berthout (...), Brussel, 1845, p. 65, E. Neeffs, art. BERTHOUT, Gauthier I, in Biographie Nationale 2 (1868), coll. 316-317.
12T. De Raadt, A propos d'un diplôme relatif à la maison des Berthout, in Annales de la Société d'Archéologie de Bruxelles 2 (1888-1889), pp. 100-107.