| Wytze Hellinga | ||
|---|---|---|
Hellinga in 1966 | ||
| Algemene informatie | ||
| Geboren | 20 december 1908 Haarlem | |
| Overleden | 16 maart 1985 Londen | |
| Nationaliteit | Nederlands | |
| Beroep | Neerlandicus, filoloog, boekwetenschapper | |
Wytze Gerbens Hellinga, meestal geschreven als W.Gs. Hellinga (Haarlem, 20 december 1908 – Londen, 16 maart 1985), was een Nederlandse neerlandicus, filoloog en boekhistoricus. Hij was van 1946 tot 1978 hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Begonnen als taalkundige, legde hij zich later toe op handschriften en vroege drukken. Hij bracht de Engelse New Bibliography naar Nederland en legde zo de basis voor de boekwetenschap als vak.
Hellinga was een zoon van Gerben Hellinga, directeur van de Haagse Schoolvereniging, en de kinderboekenschrijfster Taatske Zwart. Zijn familie van vaderszijde kwam uit de zeevaart; zijn grootvader was schoolhoofd in Kornwerd geworden. In het ouderlijk huis kwamen een strenge, rechtzinnig-hervormde geloofsopvatting en een idealistisch socialisme samen. Zijn moeder werd in haar schrijverschap aangemoedigd door Nienke van Hichtum, de vrouw van Pieter Jelles Troelstra.
Hij ging naar de lagere school in Enkhuizen, Alkmaar en Amsterdam en deed in 1928 eindexamen gymnasium-A aan het Nederlandsch Lyceum in Den Haag. In Leiden legde hij in 1933 het kandidaatsexamen Nederlandse taal- en letterkunde af, waarna hij zijn studie in Amsterdam voortzette. Daar studeerde hij in 1935 af bij onder anderen A.A. Verdenius, N.W. Posthumus en Hajo Brugmans.
Na een korte aanstelling als geschiedenisleraar aan het Nederlandsch Lyceum werd Hellinga in 1936 leraar Nederlands aan het Lyceum Alpinum in Zuoz, in het Zwitserse Engadin. Daar schreef hij zijn proefschrift, De opbouw van de algemeen beschaafde uitspraak van het Nederlands, waarop hij op 8 juli 1938 cum laude bij Verdenius promoveerde. Daarin zette hij zich af tegen de toen gangbare expansietheorie uit de dialectgeografie.
Tijdens een bezoek aan Nederland werd het gezin overvallen door de mobilisatie; Hellinga was van augustus 1939 tot juni 1940 in militaire dienst. Daarna werd hij leraar Nederlands aan een openbare handelsschool in Amsterdam. In de bezettingsjaren nam hij het initiatief tot de Vijf Ponden Pers, een reeks literaire teksten die hij zelf selecteerde, die door Jan van Krimpen werd vormgegeven en die werd gedrukt voor de Amsterdamse boekhandelaar A.A. Balkema. In kleine oplage verschenen ook drie dichtbundels van zijn hand: Perittos (1942), Dwalende (1943) en Dies noctesque (1943).
De laatste oorlogsjaren zat de reserveofficier Hellinga ondergedoken op de Veluwe. Bij de bevrijding sloot hij zich aan bij de Raad van Verzet en was hij korte tijd commandant voor de Noord-Veluwe. Bij de zuivering na de oorlog maakte hij deel uit van de Eereraad voor de Letterkunde.
In 1945 nam Hellinga het werk over van de zieke Verdenius, die hij op 16 september 1946 opvolgde als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, met als leeropdracht de Nederlandse taal en het Gotisch. In december van dat jaar hield hij zijn oratie De neerlandicus als taalkundige. Zijn leeropdracht werd later enkele keren gewijzigd en luidde vanaf 1969 Neofilologische kritiek en hermeneutiek in verband met de toegepaste hulpwetenschappen.
Die laatste wijziging hing samen met een conflict. Hellinga gold als een autoritaire, strenge en weinig toegankelijke hoogleraar, al zagen sommige studenten in hem juist een inspirerende leermeester. Met de democratiseringsbeweging van de late jaren zestig kon hij slecht uit de voeten. Na onenigheid binnen het Instituut voor Neerlandistiek kreeg hij een eigen Instituut voor Neofilologie en Neolatijn. J.J. Voskuil gebruikte hem als model voor een personage in zijn roman Bij nader inzien (1963).
In 1969 werd Hellinga lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Bij zijn afscheid in 1978 kreeg hij een feestbundel aangeboden met 43 boekwetenschappelijke studies, die in 1980 verscheen. Toen woonde hij al enkele jaren in Londen, waar hij ondanks ziekte onderzoek bleef doen. Hij overleed daar in 1985.
Hellinga trouwde in 1936 met Johanna Hendrika Riemens; zij kregen twee zoons en twee dochters. Na hun scheiding trouwde hij op 8 mei 1973 met zijn oud-studente Lotte Querido, conservator bij de British Library. Met haar kreeg hij nog een zoon.
Hellinga's vroege werk ging over de geschiedenis van het Nederlands en het Fries; een deel daarvan werd gebundeld in Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse taalcultuur (1968). Met de Zuid-Afrikaan H. van der Merwe Scholtz schreef hij Kreatiewe analise van taalgebruik (1955), een linguïstisch-stilistische analyse van een gedicht van J.H. Leopold. Over moderne dichters als A. Roland Holst, P.N. van Eyck en M. Nijhoff publiceerde hij onder meer in Maatstaf.
Als filoloog werkte hij aan middeleeuwse en zeventiende-eeuwse teksten. In 1952 bezorgde hij een synoptische uitgave van alle bekende Middelnederlandse Reynaert-teksten van vóór 1500, samen met de Latijnse Reynardus vulpes; die editie wordt nog altijd gebruikt. In Rembrandt fecit 1642 (1956) bracht hij de openingsscène van Vondels Gysbreght van Aemstel in verband met Rembrandts Nachtwacht, een interpretatie die werd betwist. Met De reis van Sint Brandaan (1949) bedacht hij vermoedelijk het editietype waarin een oude tekst naast een dichterlijke vertaling in modern Nederlands wordt uitgegeven.
Vanaf 1947 leidde hij een project voor een uitgave van het verzameld werk van P.C. Hooft. Doordat zijn eisen met elk nieuw inzicht strenger werden, kwam het project nooit verder dan twee proeven (1961 en 1968), wat in vakkringen veel ongenoegen wekte. Wel verscheen in 1972 een negendelige facsimile-uitgave van Hoofts werken, die hij samen met P. Tuynman bezorgde.
Kort na zijn oratie maakte Hellinga kennis met de New Bibliography, de analytische bibliografie die in de Engelstalige wereld vooral uit de Shakespeare-filologie was voortgekomen. Hij introduceerde die methode in Nederland. Zijn aandacht verschoof via Middelnederlandse handschriften naar het vroege gedrukte boek. Van 1961 tot 1967 schreef hij met P.J.H. Vermeeren in Spiegel der Letteren de reeks Kroniek codicologie en filologie.
In 1962 verscheen Kopij en druk in de Nederlanden. Atlas bij de geschiedenis van de Nederlandse typografie, tegelijk ook in het Engels als Copy and Print in the Netherlands. Met tekst en afbeeldingen liet hij daarin zien welke stadia een tekst doorloopt voordat hij een gedrukt boek is. Samen met Lotte Querido schreef hij daarna The Fifteenth-Century Printing Types of the Low Countries (1966, twee delen), een standaardwerk waarmee incunabelen die nergens anders te plaatsen waren, gelokaliseerd en gedateerd konden worden. Ook bezorgden zij Henry Bradshaw's Correspondence on Incunabula with J.W. Holtrop and M.F.A.G. Campbell (1966-1978, twee delen).
Hellinga was betrokken bij het tijdschrift Quaerendo (vanaf 1971) en bij de tentoonstelling over vijfhonderd jaar boekdrukkunst in de Nederlanden in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel (1973). In de bibliotheek van het Groot Seminarie in Warmond ontdekte hij het enige bekende exemplaar van de eerste druk van het Naembouck van Joos Lambrecht.
In 1968 kreeg Hellinga de Menno Hertzbergerprijs. In 1970 werd hem, samen met onder anderen Lotte Hellinga, de driejaarlijkse bibliografieprijs van de International League of Antiquarian Booksellers toegekend.
Tot zijn leerlingen worden onder anderen E. Braches, A.M.J. van Buuren, E.K. Grootes, Lotte Hellinga, F.A. Janssen, F. Lulofs, P.F.J. Obbema, J.J. Oversteegen, A.N. Paasman, H. Pleij, B. van Selm, A.L. Sötemann, M. Spies, P. Tuynman, P.J. Verkruijsse en J.J. Voskuil gerekend. Doordat zijn studenten zijn materiële benadering van het boek later combineerden met de receptie-esthetica, wordt hij beschouwd als grondlegger van de bloei van de boekwetenschap in Nederland vanaf de jaren zeventig.
Enkele honderden brieven van Hellinga worden bewaard in het Nederlands Letterkundig Museum, de Koninklijke Bibliotheek en de Universiteitsbibliotheek Leiden. Het deel van zijn archief dat betrekking heeft op de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta berust in de Leidse universiteitsbibliotheek.