
Het eerste millennium liep vanaf het jaar 1 tot 1000 n.Chr. volgens de juliaanse kalender.
Belangrijke ontwikkelingen in Europa zijn de opkomst en de ondergang van het Romeinse Rijk, de opkomst van het christendom en de Grote Volksverhuizing.
Ook zijn er de heren die een meer Romeins georiënteerde bedrijfsvoering (latifundia) hebben. Zij zetten sinds de late Oudheid hun horigen in om op het land te werken.
De orale cultuur van de Kelten wordt beroepsmatig doorgegeven door leraar-priesters (druïden) en leraar-dichters (filid). De druïden worden als groep onderdrukt door het christendom, maar de filid nemen een deel van hun niet-priesterlijke functies over en blijven literatuur doorvertellen: poëzie, wetten, genealogieën, mythen, sagen en legenden. De invallen van de Noormannen luiden het einde in voor de filid, maar in de kloosters blijft de Keltische traditie voortleven, zij het vaak in gekerstende vorm en in het Latijn.
Het tweede deel van het eerste millennium wordt ook wel de vroege middeleeuwen genoemd. Dit is de periode waarin onder andere de Vikingen zich roeren en het Byzantijnse Rijk opkomt.
De doeltreffendheid van krijgspaarden beleeft een verdere revolutie door verbeteringen in de technologie, waaronder de uitvinding van het zadel, de stijgbeugel en later de borsttuigage.
Het economische en politieke centrum van Noord-West Europa ligt in het noorden van het huidige Frankrijk, met steden als Amiens, Reims, Doornik en Metz. Van hieruit bestuurden de Romeinen hun provincie Gallia Belgica; hier lag het zwaartepunt van het Merovingische Rijk en zijn opvolgingstaat: het Karolingische Rijk.
Iberisch schiereiland en op Sicilië.
Na de Joodse Opstand van 70 na Chr. verdwijnt de partij van de sadduceeën, maar de farizeeën blijven bestaan en bewaren het joodse erfgoed en de joodse godsdienst.
Rabbijnen die de Joodse Opstand hebben overleefd, beginnen al snel in Javne en later ook in Tiberias scholen te vormen, waarin zij het Jodendom opnieuw doordenken. Zij verzamelen de farizese tradities, die tot nu toe mondeling waren doorgegeven. Van blijvend belang voor het Jodendom is de ontwikkeling van de interpretaties van de Thora die in de Misjna op schrift worden gesteld (plm. 200 na Chr.) en die de basis vormen voor de latere Talmoed. Zo ontstaat het Rabbijns jodendom.
De heilige boeken het Nieuwe Testament, de Talmoed en de Koran komen tot stand.
De Germaanse mythologie wordt van het zuiden uit verdrongen door het Christendom, maar weet zich nog te handhaven in Scandinavië, IJsland en andere uithoeken van het Europese continent.
Was in het klassieke wereldbeeld de staat bron van alle denken en handelen, met de opkomst van het christendom komt de nadruk meer te liggen op de universaliteit van morele waarden. Ook in de Islam is dit het geval.
arianen verzetten zich tegen de erkenning hiervan.
Papyrus is erg kwetsbaar, en vanaf het begin van de vierde eeuw wordt perkament of vellum steeds vaker gebruikt voor handschriften van het Nieuwe Testament. In het Romeinse keizerrijk ontstaat, onder invloed van de christenen, de zogeheten codex, die bestaat uit losse vellen die worden gebundeld tot een boek.
Met het ontstaan en de verspreiding van de abdijen in het westen vanaf de vierde eeuw komt ook de boekproductie op gang. Benedictus van Nursia sticht in de zesde eeuw de Abdij van Montecassino en schrijft in de kloosterregel die hij opstelt, de regelmatige lectuur van de Heilige Schriften voor. Een bibliotheek samenstellen is daarvoor noodzakelijk. Tijdens de Karolingische renaissance, als de interesse voor kennis en wetenschap die men kan vinden in de antieke teksten opkomt, kent de schrijfactiviteit een grote bloei. In die periode wordt een aantal scriptoria opgericht.
De komst van de ganzenveer, rond het jaar 700, verdringt de bamboe- en rietpen die tot dan gebruikelijk zijn. De veer wordt op de juiste wijze bewerkt en in de inkt gedoopt, waardoor deze zich volzuigt met inkt en ermee geschreven kan worden.
De Romeinen gaan gekleed in een tunica, met of zonder een toga als overkleed. Daaronder dragen ze beenwindsels en sandalen. Na hun veroveringen in het noorden nemen ze van de Germanen de dierenvacht (bontmantel) over, en de braccae of kniebroek. Deze wordt in de Middeleeuwen het favoriete kledingstuk van Europese mannen.
De encyclopedie over kruidengeneeskunde van de Romeinse hofarts Dioskorides uit de 1e eeuw blijft gedurende het Millennium en daarna in gebruik.
Sinds de oudheid bestaat er al slavenhandel in Noord-Afrika. Dwars door de Sahara lopen routes waarlangs de Afrikaanse slaven worden aangevoerd. In de Romeinse tijd zijn er steden die bekendstaan om hun slavenmarkten en dat blijft tot de middeleeuwen zo.