Johann Friedrich Wilhelm Adolf von Baeyer | ||||
| Persoonlijke gegevens | ||||
| Geboortedatum | 31 oktober 1835 | |||
| Geboorteplaats | Berlijn | |||
| Overlijdensdatum | 20 augustus 1917 | |||
| Overlijdensplaats | Starnberg | |||
| Begraafplaats | Waldfriedhof | |||
| Land | Duitsland | |||
| Academische achtergrond | ||||
| Alma mater | Humboldtuniversiteit van Berlijn Ludwig Maximilians-universiteit Ruprecht-Karls-universiteit Universiteit Gent Friedrich-Wilhelms-Gymnasium | |||
| Promotor | Robert Bunsen | |||
| Wetenschappelijk werk | ||||
| Vakgebied | organische chemie, wiskunde, natuurkunde, scheikunde | |||
| Nobelprijs voor Scheikunde | ||||
| Jaar | 1905 | |||
| Reden | voor zijn werk op het gebied van organische kleurstoffen en hydroaromatische verbindingen | |||
| Voorganger(s) | William Ramsay | |||
| Opvolger(s) | Henri Moissan | |||
| Handtekening | ||||
| ||||
Johann Friedrich Wilhelm Adolf von Baeyer (Berlijn, 31 oktober 1835 – Starnberg, 20 augustus 1917) was een scheikundige uit Duitsland die voor zijn verrichtingen op het gebied van organische kleurstoffen en hydroaromatische verbindingen in 1905 de Nobelprijs voor Scheikunde heeft ontvangen.
Adolf von Baeyer werd geboren in Berlijn als zoon van Johann Jacob Baeyer (1794-1885) en Eugenie Hitzig. Zijn vader, een luitenant-generaal, was hoofd van het Geodetisch Instituut te Berlijn en bedenker van het Europese systeem van geodetische meting. Adolf studeerde eerst wiskunde en natuurkunde aan de universiteit van Berlijn, voordat hij naar Heidelberg vertrok om daar scheikunde te gaan studeren bij Robert Bunsen. Daar werkte hij, na zijn promotie in 1858, in het laboratorium van Friedrich Kekulé. Hij werd in 1860 docent in Berlijn en in 1872 professor in de scheikunde aan de Universiteit van Straatsburg. Hij volgde Justus von Liebig in 1875 op als professor in de scheikunde aan de universiteit van München.
In Straatsburg was zijn bekendste handeling de ontwikkeling van methoden voor de bereiding van condensatieproducten uit de reactie tussen fenol en formaldehyde. Dertig jaar later zou Leo Baekeland Baeyers methode gebruiken in de synthese van fenol-formaldehydehars, bekend als bakeliet en een van de eerste kunststoffen in de wereld.
Baeyers bekendste prestaties zijn de synthese en beschrijving van de kleurstof indigo, de ontdekking van fenolftaleïne en zijn onderzoek naar polyacetylenen, oxoniumzouten en nitrosoverbindingen (1869). Hij was in 1869 de eerste die de goede formule voor indool voorstelde, drie jaar na de publicatie van de eerste synthese. Zijn bijdragen aan de theoretische chemie zijn de spanningstheorie voor drievoudige bindingen en de theorie van ringspanning voor kleine koolstof ringen. In zijn spanningstheorie stelde hij dat organische moleculen met een vijf- of een zesring stabieler waren dan andere ringvormen, omdat de bindingshoek in deze ringen het meest met de bindingshoek overeenkomt van die in moleculen met een tetraëdrische geometrie.
De Royal Society van Londen kende hem in 1881 de Davy Medal toe voor zijn onderzoek naar indigo en in 1885 werd hij door koning Ludwig II van Beieren in de adelstand verheven van het Koninkrijk Beieren. Baeyer ontving in 1905 de Nobelprijs voor Scheikunde ter erkenning van zijn verdiensten voor de vooruitgang van de organische chemie en de chemische industrie, door zijn verrichtingen op het gebied van organische kleurstoffen en hydroaromatische verbindingen.
Hij overleed in 1917 in Starnberg, bij München. Hij was gehuwd met Adelheid Bendemann (1847-1910), de dochter van een vriend van zijn vader. Uit dit huwelijk werden een dochter, Eugine, en twee zonen, Hans en Otto, geboren.