| Amandelvezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Inocybe hirtella Bres. (1884) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Inocybe hirtella var. bispora | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De amandelvezelkop (Inocybe hirtella) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met verschillende loofbomen, waaronder Corylus, eik (Quercus), Fagus en populier (Populus). Ook kan hij bij naaldbomen voorkomen. In Nederland wordt hij voornamelijk aangetroffen in lanen, parken en bossen op voedselrijke, vaak kalkrijke bodems.
De hoed heeft een diameter van 1 tot 5 cm. Aanvankelijk is deze kegelvormig tot klokvormig, later gewelfd tot uitgespreid, soms met een lage, brede umbo. De kleur varieert van geel en geeloker tot okerbruin. Het oppervlak is aanvankelijk glad of fijnviltig, later vezelig tot fijnschubbig. Jonge vruchtlichamen kunnen een dunne, witachtige velumbedekking hebben, die snel verdwijnt. De hoedrand is aanvankelijk iets ingebogen, later recht of omhooggericht.
De lamellen staan matig dicht opeen en zijn vrijwel vrij tot aangehecht. Ze zijn aanvankelijk witachtig tot ivoorkleurig en worden later strogeel, bleek okergrijs of geelbruin. De lamelsnede is witachtig en fijn gewimperd.
De steel is 2 tot 6,5 cm lang en 2 tot 5 mm dik. Hij is cilindrisch of enigszins gebogen en kan aan de basis iets verdikt zijn. De kleur is aanvankelijk witachtig en later bleek strogeel tot geelachtig, soms met een roze tint aan de top. De steel is over de gehele lengte fijn berijpt door de aanwezigheid van caulocystidia.
Het vlees is witachtig tot lichtgeel, soms met een zwakke roze verkleuring boven in de steel. De geur doet in wisselende intensiteit denken aan bittere amandelen. Bij doorsnijden kan daarnaast een zwak spermatische geur waarneembaar zijn.
De sporen zijn glad, amandelvormig tot bijna amandelvormig. De sporen hebben vaak een duidelijke indeuking boven de apiculus en een enigszins toegespitste top. Er zijn twee variëteiten:
De basidiën meten 24–35 × 7–11 µm en zijn doorgaans tweesporig.
De pleurocystidia zijn overwegend smal spoelvormig, soms flesvormig of knotsvormig, en meten 40–77 × 10–20 µm. De cheilocystidia hebben vergelijkbare afmetingen en vormen. Beide typen cystidia hebben verdikte wanden en dragen vaak kristallen aan de top. De wanden kleuren geelachtig groen in 3% kaliumhydroxide (KOH).
De caulocystidia bevinden zich over de gehele lengte van de steel. Ze zijn overwegend spoelvormig, meten 35–65 × 10–15 µm en hebben doorgaans dunnere wanden dan de pleurocystidia.
De amandelvezelkop is een ectomycorrhizavormende soort die met verschillende boomsoorten samenleeft. In laaggelegen gebieden wordt hij vooral gevonden bij loofbomen, waaronder hazelaar, eik, beuk en populier. In berggebieden komt hij ook bij naaldbomen voor.
In Nederland groeit hij voornamelijk op humusrijke bodems in droge, voedselrijke lanen, parken en bossen. Eik wordt in de Nederlandse Verspreidingsatlas genoemd als de belangrijkste geassocieerde boomsoort.
De amandelvezelkop is bekend uit verschillende delen van Europa. De soort werd oorspronkelijk beschreven uit Noord-Italië. Bij een taxonomisch onderzoek uit 2022 werden collecties uit Oostenrijk, Duitsland en Nederland bestudeerd. Daarnaast zijn DNA-sequenties gepubliceerd van collecties uit Estland, Finland en Zweden. Ook is er een voorlopige moleculaire melding uit Zwitserland. DNA-sequenties uit ectomycorrhizale wortelmonsters uit onder meer België, Letland, Polen en Iran behoren mogelijk eveneens tot deze soort, maar deze identificaties zijn minder zeker.
In Nederland wordt de amandelvezelkop volgens de NDFF Verspreidingsatlas als algemeen beschouwd. Deze zeldzaamheidsaanduiding is gebaseerd op gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023. De soort heeft volgens de Nederlandse Rode Lijst van 2008 de status 'thans niet bedreigd'.
De Verspreidingsatlas onderscheidt daarnaast twee traditionele variëteiten. Inocybe hirtella var. bispora wordt als vrij zeldzaam aangeduid en var. hirtella als zeer zeldzaam. Deze indeling is gebaseerd op oudere taxonomische opvattingen. Door de gewijzigde soortafbakening zijn de historische verspreidingsgegevens niet zonder meer gelijk te stellen aan die van I. hirtella in de huidige, engere betekenis.
Inocybe hirtella werd in 1884 beschreven door de Italiaanse mycoloog Giacomo Bresadola. Thomas W. Kuyper onderscheidde in 1986 twee variëteiten:
Op basis van morfologisch en moleculair onderzoek concludeerden Bandini, Oertel en Eberhardt in 2022 dat de tweesporige var. bispora overeenkomt met Inocybe hirtella zoals Bresadola deze oorspronkelijk beschreef. Zij beschouwen var. bispora daarom als een synoniem van I. hirtella.
De traditioneel tot var. hirtella gerekende viersporige collecties kunnen tot andere soorten behoren, waaronder soorten die eveneens een amandelachtige geur bezitten, zoals Inocybe morganae, Inocybe somae en Inocybe suryana. De auteurs wezen voor I. hirtella een epitype aan, waarmee de toepassing van de wetenschappelijke naam nader werd vastgelegd.