| Clitocybaceae | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Nevelzwam (Clitocybe nebularis) | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Familie | ||||||||||||
| Clitocybaceae Vizzini, Consiglio & M. Marchetti (2020) | ||||||||||||
| ||||||||||||
Clitocybaceae is een familie van schimmels uit de orde Agaricales. De familie behoort tot de onderorde Tricholomatineae en heeft Clitocybe als typegeslacht. De familie omvat voornamelijk saprotrofe plaatjeszwammen, waaronder soorten met een trechterzwam-, schijnridderzwam- of collybia-achtig uiterlijk.
De naam Clitocybaceae werd al in de 19e en vroege 20e eeuw in verschillende vormen gebruikt, maar deze eerdere namen waren niet geldig gepubliceerd volgens de regels van de botanische nomenclatuur. Roze gebruikte in 1876 de Franse naam Clitocybées en Van Overeem publiceerde in 1927 Clitocybaceae zonder de vereiste beschrijving. De familienaam werd uiteindelijk in 2020 geldig gepubliceerd door Alfredo Vizzini, Giovanni Consiglio en Mauro Marchetti.
Moleculair fylogenetisch onderzoek bevestigt dat de Clitocybaceae een natuurlijke, monofyletische groep binnen de Tricholomatineae vormen. De afbakening van verschillende geslachten binnen de familie is in de 21e eeuw sterk gewijzigd doordat DNA-onderzoek aantoonde dat de traditionele geslachten Clitocybe, Collybia en Lepista in hun vroegere ruime betekenis geen natuurlijke groepen vormden.
Een fylogenetische en fylogenomische studie uit 2026 onderscheidde de volgende geslachten binnen de familie:
Allolepista werd in 2026 afgesplitst van verwante soorten die eerder voornamelijk tot Lepista en Clitocybe werden gerekend. Het geslacht wordt onder andere gekenmerkt door duidelijk wrattige basidiosporen en vormt moleculair een afzonderlijke ontwikkelingslijn naast Lepista.
De vruchtlichamen van de Clitocybaceae variëren sterk in grootte en vorm. Ze kunnen clitocyboïd, collybioïd of tricholomatoïd zijn. De hoed kan bol, vlak, gebocheld, ingedeukt of uitgesproken trechtervormig zijn. Sommige soorten hebben een hygrofaan hoedoppervlak.
De lamellen kunnen aangehecht, uitgebocht of langs de steel aflopend zijn. De steel is doorgaans centraal geplaatst. Bij sommige soorten worden aan de basis sclerotiën gevormd. Dendrocollybia wijkt verder af doordat aan de steel conidiënvormende vertakkingen kunnen ontstaan.
De sporee is gewoonlijk wit tot crèmekleurig, maar kan bij sommige soorten rozeachtig, geelachtig of zalmkleurig zijn. De basidiosporen zijn kleurloos en inamyloïd. Het oppervlak varieert van glad of fijn gestippeld tot wrattig of zelfs stekelig. De basidia zijn meestal knotsvormig en doorgaans viersporig. Pleurocystiden en cheilocystiden ontbreken bij veel soorten of zijn weinig opvallend.
De meeste soorten van de Clitocybaceae zijn saprotroof en leven van dood organisch materiaal. Ze groeien onder andere op de bodem en tussen afgevallen bladeren en ander plantenstrooisel. Sommige soorten zijn aan dood hout gebonden.
Een klein aantal soorten leeft op de resten van andere paddenstoelen. Voorbeelden hiervan zijn Collybia tuberosa en Dendrocollybia racemosa. Deze fungicole soorten kunnen kleine sclerotiën vormen in of bij de resten van hun substraat.
Binnen de familie komen zowel eetbare als giftige soorten voor. Verschillende soorten bevatten muscarine, een alkaloïde die het muscarinerge zenuwstelsel beïnvloedt en vergiftigingsverschijnselen kan veroorzaken. Onderzoek naar de evolutionaire verspreiding van muscarine binnen de familie wees erop dat muscarineproducerende soorten vooral geconcentreerd zijn in een bepaalde ontwikkelingslijn binnen Collybia. Ook bij onderzoek naar vergiftigingsgevallen zijn meerdere muscarinehoudende soorten van de Clitocybaceae aangetoond.
DNA-onderzoek op basis van meerdere genetische merkers en later ook complete sets van honderden genen heeft de verwantschappen binnen de familie aanzienlijk verduidelijkt. Analyses ondersteunen de Clitocybaceae als een afzonderlijke monofyletische lijn binnen de Tricholomatineae. Een fylogenomische analyse uit 2026, gebaseerd op 485 enkelvoudige genen, ondersteunde daarnaast de afscheiding van Allolepista van Lepista sensu stricto.