| Collybia | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Purperknolcollybia (Collybia tuberosa), de typesoort | ||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||
| ||||||||||
| Geslacht | ||||||||||
| Collybia (Fr.) Staude (1857) | ||||||||||
| ||||||||||
Collybia is een geslacht van schimmels uit de familie Clitocybaceae, behorend tot de orde Agaricales. Het geslacht omvat plaatjeszwammen met een uiteenlopende grootte en verschijningsvorm. De soorten zijn overwegend saprotroof, terwijl sommige groeien op de resten van andere paddenstoelen. De typesoort is Collybia tuberosa, de purperknolcollybia.
De naam Collybia is afgeleid van het Griekse woord kollybos, dat een klein muntstuk aanduidt. De naam verwijst naar de vaak kleine, ronde hoeden van de oorspronkelijk tot het geslacht gerekende soorten.
Het geslacht heeft een ingewikkelde taxonomische geschiedenis. Elias Magnus Fries introduceerde de naam Collybia in 1821 als een onderverdeling van het destijds zeer omvangrijke geslacht Agaricus. In 1857 verhief Friedrich Staude deze groep tot een zelfstandig geslacht.
In de traditionele, ruime opvatting omvatte Collybia talrijke soorten met een centrale steel, een meestal gewelfde hoed en lichte sporen. Moleculair onderzoek toonde later aan dat deze soorten niet allemaal nauw verwant waren. Een groot aantal werd ondergebracht in andere geslachten, waaronder Gymnopus, Rhodocollybia en Dendrocollybia.
Hierdoor bleef Collybia in strikte zin (sensu stricto) beperkt tot drie kleine soorten die voornamelijk op vergaande resten van andere paddenstoelen groeien:
Een uitgebreid onderzoek van He en medewerkers uit 2023, gebaseerd op meerdere DNA-markers en een fylogenomische analyse van 485 genen, liet zien dat de drie traditionele Collybia-soorten deel uitmaken van een grotere evolutionaire groep waartoe ook talrijke soorten behoren die eerder in Clitocybe en Lepista waren geplaatst.
De onderzoekers stelden daarom voor het geslacht Collybia aanzienlijk uit te breiden en vier ondergeslachten te onderscheiden:
Tot deze ruimere opvatting behoren onder andere de paarse schijnridderzwam (Collybia nuda), de groene anijstrechterzwam (Collybia odora) en de grote bostrechterzwam (Collybia phyllophila).
In 2024 werd echter voorgesteld de naam Clitocybe met een nieuwe typesoort te conserveren. Daarmee zouden veel bestaande soortnamen behouden kunnen blijven en zou de naam Collybia als zelfstandig geslacht vervallen. Dit nomenclatorische voorstel was ten tijde van een nieuwe fylogenomische publicatie in 2026 nog niet definitief afgehandeld.
De uiterlijke kenmerken van Collybia zijn afhankelijk van de gehanteerde geslachtsafbakening.
De drie traditioneel tot Collybia gerekende soorten vormen kleine, tere vruchtlichamen, doorgaans met witachtige tot crèmekleurige hoeden, smalle stelen en lichte lamellen. De hoeden zijn aanvankelijk gewelfd en worden later vlakker. De lamellen zijn aangehecht en de sporenafdruk is wit.
Bij de okerknolcollybia en purperknolcollybia ontstaat het vruchtlichaam vanuit een sclerotium, een compacte, verharde structuur van schimmeldraden. De dwergcollybia vormt geen sclerotium. Deze eigenschap is belangrijk bij het onderscheiden van de drie soorten.
Bij de ruimere geslachtsopvatting uit 2023 varieert de hoed van gewelfd tot trechtervormig. De kleur kan wit, crème, grijs, bruin, blauwachtig, violet of paars zijn. Ook de grootte van de vruchtlichamen varieert sterk. Een algemeen geldende uiterlijke diagnose voor alle soorten is daardoor moeilijk te geven.
De basidiosporen zijn doorgaans ellipsoïd, kleurloos tot licht gekleurd en niet-amyloïd. Afhankelijk van de soort zijn ze glad of fijn wrattig. De basidia dragen meestal twee of vier sterigmata. Cystiden ontbreken bij veel soorten. In de hyfen komen doorgaans gespen voor.
Bij de drie kleine, traditioneel tot Collybia gerekende soorten zijn de sporen glad en kleurloos. De structuur en kleur van de sclerotiën vormen belangrijke determinatiekenmerken.
De meeste soorten van Collybia leven als saprotrofen en breken dood organisch materiaal af. Ze komen onder andere voor op blad- en naaldstrooisel, humus, dood hout en de resten van andere schimmels.
De drie traditioneel tot het geslacht gerekende Nederlandse soorten groeien vaak op sterk verteerde, soms zwart geworden vruchtlichamen van andere paddenstoelen. Vooral resten van russula's (Russula) en melkzwammen (Lactarius) vormen een geschikt substraat. De vruchtlichamen verschijnen dikwijls in groepen in loofbossen en gemengde bossen.
De NDFF Verspreidingsatlas vermeldt drie soorten onder de geslachtsnaam Collybia.
| Wetenschappelijke naam | Nederlandse naam | Kenmerken | Voorkomen in Nederland |
|---|---|---|---|
| Collybia cirrata | Dwergcollybia | Kleine, witachtige vruchtlichamen zonder sclerotium. | Algemeen |
| Collybia cookei | Okerknolcollybia | Kleine, witte tot crèmekleurige vruchtlichamen met een geelachtig tot okerbruin sclerotium. | Algemeen |
| Collybia tuberosa | Purperknolcollybia | Kleine vruchtlichamen die ontspringen uit een donker roodbruin tot purperbruin, vaak langwerpig sclerotium. | Zeldzaam; Rode Lijst: kwetsbaar |
De dwergcollybia wordt in de Verspreidingsatlas aangeduid als Collybia cirrata. In internationale taxonomische bronnen, waaronder Index Fungorum, wordt doorgaans de spelling Collybia cirrhata gebruikt.
Volgens de in 2023 voorgestelde indeling behoren ook verschillende in Nederland voorkomende soorten tot Collybia. De NDFF Verspreidingsatlas gebruikt voor deze soorten nog de geslachtsnamen Lepista en Clitocybe.
| Naam volgens He et al. (2023) | Nederlandse naam | Naam in de Verspreidingsatlas |
|---|---|---|
| Collybia nuda | Paarse schijnridderzwam | Lepista nuda |
| Collybia sordida | Vaalpaarse schijnridderzwam | Lepista sordida |
| Collybia odora | Groene anijstrechterzwam | Clitocybe odora |
| Collybia phyllophila | Grote bostrechterzwam | Clitocybe phyllophila |
| Collybia rivulosa | Giftige weidetrechterzwam | Clitocybe rivulosa |
De Nederlandse namen en de in Nederland gehanteerde wetenschappelijke namen zijn terug te vinden in de NDFF Verspreidingsatlas.
Binnen de ruimere opvatting van Collybia komen zowel eetbare als giftige soorten voor. Sommige soorten produceren muscarine, een giftige stof die het parasympathische zenuwstelsel beïnvloedt.
Onderzoek uit 2023 toonde aan dat muscarine bij verschillende soorten binnen het ondergeslacht Collybia voorkomt. Ook bij de traditioneel tot Collybia gerekende kleine soorten werd muscarine aangetoond. De aanwezigheid en hoeveelheid van deze stof verschillen per soort.
Tot de giftige soorten binnen de ruimere indeling behoren onder meer Collybia phyllophila en Collybia rivulosa, die volgens de traditionele indeling tot de trechterzwammen behoren. Vergiftiging door deze soorten kan onder andere leiden tot overmatige speeksel- en zweetproductie, tranenvloed, misselijkheid en een vertraagde hartslag.
Het geslacht heeft in de ruimere afbakening een vrijwel wereldwijde verspreiding. Soorten komen voor in gematigde, subtropische en tropische gebieden van Europa, Azië, Afrika, Noord- en Zuid-Amerika en Oceanië.
De drie kleine soorten die traditioneel tot Collybia worden gerekend, zijn vooral bekend uit gematigde gebieden op het noordelijk halfrond.
In Nederland zijn de dwergcollybia en de okerknolcollybia algemeen. De purperknolcollybia is zeldzaam en staat op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen in de categorie 'kwetsbaar'.