| Gymnopus | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gewoon eikenbladzwammetje (Gymnopus dryophilus) | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Gymnopus (Pers.) Gray (1821) | ||||||||||||
| ||||||||||||
Gymnopus is een geslacht van schimmels uit de familie Omphalotaceae, behorend tot de orde Agaricales. Het geslacht omvat wereldwijd meer dan 200 beschreven soorten, voornamelijk kleine tot middelgrote plaatjeszwammen. De meeste soorten leven saprotroof op afgevallen bladeren, naalden, hout en ander plantaardig materiaal. Enkele soorten leven als parasiet op levende bomen. De typesoort is de spoelvoetcollybia (Gymnopus fusipes).
De vruchtlichamen zijn doorgaans klein tot middelgroot en hebben een centrale steel en een hoed met lamellen. De vorm en afmetingen verschillen sterk tussen de soorten.
De hoed is aanvankelijk meestal gewelfd en wordt bij het ouder worden vlakker, soms met een centrale indeuking. De kleur varieert van witachtig en geelbruin tot roodbruin of donkerbruin. Bij veel soorten is de hoed hygrofaan en verandert de kleur bij uitdroging. De hoedhuid is meestal glad, maar kan ook fijn behaard of vezelig zijn.
De lamellen zijn doorgaans witachtig, crème of lichtgeel, soms donkerder gekleurd. Ze staan vrij tot dicht opeen en zijn afhankelijk van de soort vrij, smal aangehecht of breed aan de steel bevestigd.
De steel is centraal geplaatst en meestal slank, vezelig en taai. Hij kan glad, berijpt of fijn behaard zijn. De steelbasis is bij sommige soorten voorzien van wit mycelium of draadvormige rhizomorfen. Een ring ontbreekt doorgaans. Bij de spoelvoetcollybia is de steel karakteristiek spoelvormig verdikt en naar beneden versmald.
De geur en smaak verschillen per soort. Sommige soorten hebben een weinig opvallende geur, terwijl andere een sterke of onaangename geur verspreiden. Ook de smaak varieert van mild tot scherp.
De basidiosporenn zijn doorgaans ellipsoïde tot langwerpig, glad, dunwandig en kleurloos. Ze zijn niet-amyloïd en geven een witte sporee.
De basidiën zijn doorgaans knotsvormig en meestal viersporig. Cheilocystidia zijn bij veel soorten aanwezig en vertonen een grote vormvariatie. Ze kunnen knotsvormig, cilindrisch, onregelmatig vertakt of voorzien van vingervormige uitsteeksels zijn. Pleurocystidia ontbreken bij veel soorten.
De basidiosporen (hoedhuid) bestaat vaak uit liggende, min of meer radiaal gerangschikte hyfen. Bij verschillende soorten komen onregelmatig vertakte of koraalvormige eindcellen voor. Dergelijke structuren worden aangeduid als het Dryophila-type. Gespen komen bij veel soorten in de hyfen voor.
De kenmerken van de hoedhuid, de vorm van de cheilocystidia en de afmetingen van de sporen spelen een belangrijke rol bij de determinatie en taxonomische indeling.
Het geslacht Gymnopus kent een ingewikkelde taxonomische geschiedenis. Verschillende soorten werden vroeger ondergebracht in het breed opgevatte geslacht Collybia. In 1997 herzagen Antonín, Halling en Noordeloos de afgrenzing van verschillende geslachten binnen de groepen rond Collybia en Marasmius. Daarbij werd Gymnopus opnieuw gebruikt voor een groot aantal soorten die eerder tot Collybia werden gerekend.
Moleculair fylogenetisch onderzoek heeft vervolgens aangetoond dat de traditioneel gebruikte afgrenzing van Gymnopus niet overeenkwam met één natuurlijke afstammingsgroep. Hierdoor zijn verschillende soorten overgebracht naar andere geslachten, waaronder Collybiopsis, Marasmiellus en Paragymnopus.
Binnen een veelgebruikte, enger omschreven indeling van Gymnopus worden vier secties onderscheiden:
De afgrenzing van deze groepen is onderwerp van verder moleculair en morfologisch onderzoek. Daardoor kunnen de gebruikte wetenschappelijke namen tussen taxonomische databanken en publicaties verschillen.
De meeste soorten van Gymnopus leven saprotroof en breken dood plantaardig materiaal af. Ze groeien onder meer op:
De soorten komen voor in uiteenlopende leefgebieden, waaronder loofbossen, naaldbossen, gemengde bossen, parken en andere houtige vegetaties. Door de afbraak van organisch materiaal dragen ze bij aan de kringloop van voedingsstoffen.
Een uitzondering op de overwegend saprotrofe levenswijze vormt de spoelvoetcollybia (Gymnopus fusipes). Deze soort leeft waarschijnlijk voornamelijk als necrotrofe parasiet op boomwortels, vooral die van eiken (Quercus), en kan mogelijk ook saprotroof leven.
Het geslacht Gymnopus heeft een wereldwijde verspreiding. Vertegenwoordigers komen voor in zowel gematigde als tropische gebieden. De soortenrijkdom is aanzienlijk en er worden nog nieuwe soorten beschreven, onder meer op basis van gecombineerd morfologisch en moleculair onderzoek.
In Nederland komen verschillende soorten voor. Sommige, zoals het gewone eikenbladzwammetje en de spoelvoetcollybia, zijn algemeen. Andere, zoals het vroege en het donkere eikenbladzwammetje, zijn aanzienlijk minder algemeen.
Enkele in Nederland voorkomende soorten zijn:
De drie eikenbladzwammetjes G. aquosus, G. dryophilus en G. ocior lijken sterk op elkaar. Wanneer betrouwbare onderscheiding niet mogelijk is, kunnen waarnemingen worden samengevoegd onder Gymnopus dryophilus sensu lato.
Verschillende geslachten binnen de Omphalotaceae bevatten soorten die sterk op Gymnopus lijken. Hiertoe behoren onder meer:
De afgrenzing tussen deze geslachten berust niet uitsluitend op uiterlijke kenmerken, maar ook op verschillen in microscopische structuren en moleculair-fylogenetische verwantschap.