| Groen viltmatje | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Groen viltmatje | ||||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||
| Trichoderma viride Pers. (1794) | ||||||||||||||||
| Conidioforen | ||||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||||
|
Hypocrea rufa (Pers.) Fr. | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
Het groen viltmatje (Trichoderma viride) is een schimmel uit de familie Hypocreaceae. De soort leeft voornamelijk op dood hout en andere plantaardige resten. De ongeslachtelijke morf vormt groene, vaak viltige of kussenvormige massa's waarin grote aantallen conidiën worden geproduceerd.
De seksuele morf werd vroeger onder een afzonderlijke naam beschreven als Hypocrea rufa en staat in het Nederlands bekend als de rossige kussentjeszwam. Tegenwoordig worden beide morfen tot dezelfde soort gerekend en wordt Trichoderma viride als de geaccepteerde wetenschappelijke naam gebruikt; Hypocrea rufa geldt als synoniem.
Het mycelium is aanvankelijk witachtig tot kleurloos. Bij de vorming van grote aantallen conidiën verschijnen donkergroene, vaak min of meer kussenvormige groepen. De conidioforen zijn onregelmatig en sterk variabel vertakt. Een duidelijke hoofdas ontbreekt vaak. De fialiden staan veelal afzonderlijk of in kleine groepen en zijn dikwijls opvallend gebogen, haakvormig of kronkelig.
De conidiën zijn groen, doorgaans bolvormig tot bijna bolvormig en opvallend grof wrattig. Ze meten ongeveer (3,0–)3,5–4,5(–5,5) × (2,8–)3,4–4,0(–5,0) µm. Vooral de grove ornamentatie en vrijwel bolvormige vorm van de conidiën zijn belangrijke determinatiekenmerken. Chlamydosporen zijn zeldzaam.

De seksuele morf vormt kleine stromata op hout. Verse stromata zijn gewoonlijk 1–4(–6) mm lang en 0,5–1,5 mm hoog. Ze zijn aanvankelijk vlak tot enigszins uitgespreid, bleek of witachtig en fijn behaard. Later worden ze kussenvormig en verkleuren ze via geelachtig en okerbruin naar roodbruin of donker roodbruin. In het stroma liggen talrijke peritheciën. De openingen daarvan zijn meestal nauwelijks zichtbaar.
De asci zijn cilindrisch en meten ongeveer (70–)85–105(–115) × (4,2–)6–8(–10) µm. De ascosporen zijn hyalien en fijn stekelig. Ze bestaan aanvankelijk uit twee cellen en vallen al in de ascus bij het tussenschot uiteen in twee ongelijke deelsporen. De distale deelsporen zijn ongeveer kegelvormig tot bijna bolvormig, terwijl de proximale deelsporen meer wig- tot kegelvormig zijn.
De stromata reageren niet of nauwelijks met KOH. De seksuele morf alleen is voor een zekere determinatie weinig geschikt, omdat die sterk kan lijken op onder meer de seksuele morf van Trichoderma viridescens.
Trichoderma viride leeft saprotroof en wordt vooral aangetroffen op ontschorst, rottend hout. De soort kan daarnaast voorkomen op schors, ander dood plantaardig materiaal en soms op oude vruchtlichamen van andere houtbewonende schimmels.
De Nederlandse Verspreidingsatlas vermeldt de rossige kussentjeszwam voornamelijk van rottend loofhout en daarnaast soms van naaldhout of oude houtzwammen. Vindplaatsen liggen onder meer in bossen, lanen en parken.
Trichoderma viride werd in 1794 beschreven door Christiaan Hendrik Persoon en is de typesoort van het geslacht Trichoderma. De seksuele morf werd als Hypocrea rufa beschreven. In een taxonomische herziening uit 2006 werden beide namen opnieuw bestudeerd aan de hand van morfologie, kweekkenmerken en DNA-gegevens. Daarbij werden zowel T. viride als H. rufa opnieuw getypeerd en werd hun onderlinge samenhang bevestigd.
De naam Trichoderma viride werd in het verleden veel ruimer toegepast dan tegenwoordig. Moleculair onderzoek liet zien dat onder deze naam meerdere afzonderlijke soorten waren samengebracht. Een deel van het vroeger als T. viride gedetermineerde materiaal behoort bijvoorbeeld tot Trichoderma asperellum. Ook Trichoderma viridescens is morfologisch en fylogenetisch nauw verwant. De herziening van 2006 concludeerde dat T. viride in strikte zin aanzienlijk minder algemeen is dan de vele oudere meldingen onder deze naam doen vermoeden.
Een belangrijke combinatie van kenmerken van T. viride sensu stricto bestaat uit de bijna bolvormige, opvallend grof wrattige groene conidiën, de sterk variabele en onregelmatige vertakking van de conidioforen en de vaak gebogen of haakvormige fialiden. De grof wrattige conidiën onderscheiden de soort onder meer van T. viridescens, die fijnere, meer ellipsoïde conidiën bezit.
Alleen op grond van de stromata van de seksuele morf is betrouwbare determinatie vaak niet mogelijk. Vooral T. viridescens kan in deze toestand sterk op T. viride lijken.
Voor moderne moleculaire soortidentificatie binnen Trichoderma is de ITS-regio alleen doorgaans onvoldoende. Richtlijnen voor het geslacht bevelen voor identificatie op soortniveau een combinatie van ITS met de eiwitcoderende genen tef1 en rpb2 aan.
Trichoderma viride heeft een ruime geografische verspreiding. Moleculair bevestigde collecties zijn uit verschillende werelddelen bekend, waarbij in onderzoek een grote genetische diversiteit werd gevonden in Europa en Noord-Amerika.
Voor Nederland zijn verspreidingsgegevens moeilijk te interpreteren. In het oudere Nederlandse soortconcept werd de ongeslachtelijke vorm onder de naam Trichoderma viride als zeer algemeen beschouwd, terwijl de seksuele vorm Hypocrea rufa als matig algemeen werd opgegeven. De Verspreidingsatlas merkt echter zelf op dat T. viride vroeger als verzamelnaam voor ongeslachtelijke vormen van verschillende soorten werd gebruikt. Oudere Nederlandse waarnemingen kunnen daarom niet zonder nader onderzoek worden toegeschreven aan T. viride sensu stricto.