| Honingwasplaat | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Hygrocybe reidii Kühner (1976) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Pseudohygrocybe reidii | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De honingwasplaat (Hygrocybe reidii) is een schimmel uit het geslacht Hygrocybe. De soort wordt aangetroffen in voedselarme graslanden, gazons, duingraslanden en andere weinig of niet bemeste grazige vegetaties. In Nederland is hij vooral bekend van schrale graslanden, onder meer op droge, kalkhoudende en lemige bodem.
De voedingswijze van wasplaten werd vroeger doorgaans als saprotroof beschouwd, maar onderzoek aan soorten van Hygrocybe en verwante wasplaten wijst erop dat deze schimmels niet primair als saprotrofen leven. Hyfen van wasplaten zijn in levende plantenwortels aangetroffen en isotopenonderzoek ondersteunt een biotrofe, mogelijk endofytische levenswijze. De precieze relatie met planten is nog niet volledig opgehelderd.
De hoed is 2–5 cm breed. Hij is aanvankelijk kegelvormig tot bol en wordt later vlakker, soms met een enigszins ingedeukt centrum. De kleur varieert van helder oranje en oranjerood tot roodachtig oranje en verbleekt bij oudere exemplaren vaak tot oranjegeel. De rand kan bleker zijn. Het oppervlak is droog en mat tot fijn viltig of schubbig; alleen bij zeer nat weer kan het enigszins vochtig lijken. De hoedrand is slechts zelden doorschijnend gestreept en kan bij uitdroging radiaal inscheuren.
De lamellen zijn breed aan de steel aangehecht en kunnen met een kort tandje iets aflopen. Ze staan vrij ver uiteen en zijn geelachtig oranje tot oranje, doorgaans wat bleker dan de hoed.
De steel is ongeveer 20–60 mm lang en 2,5–6 mm dik. Hij is cilindrisch of zijdelings samengedrukt en kan onregelmatige groeven vertonen. Het oppervlak is droog en glad. De kleur varieert van geelachtig oranje tot oranje en de steelvoet is vaak lichter of witachtig. Een ring ontbreekt.
Het vruchtvlees is oranjeachtig en verkleurt niet bij beschadiging. Kenmerkend is de zoete geur die aan honing doet denken. Deze geur kan bij verse exemplaren zwak zijn en wordt vaak duidelijker wanneer het vruchtlichaam wordt gekneusd, over de steelvoet wordt gewreven of het materiaal begint te drogen. De smaak is niet kenmerkend.
De sporenprint is wit.
De sporen zijn glad, ellipsoïdaal en inamyloïd en meten ongeveer 6,5–8,5 × 4–6 µm. In Nederlandse beschrijvingen worden de sporen als overwegend tweekernig beschreven.
De basidia zijn opvallend lang en meten ongeveer 45–65 × 7,5–10 µm. Zowel twee- als viersporige basidia kunnen voorkomen. Hymeniale cystidia ontbreken. De lamellentrama bestaat uit min of meer regelmatig gerangschikte, vaak opgezwollen hyfenelementen.
De hoedhuid bevat bij Europese exemplaren rechtopstaande hyfen, waardoor het droge, fijn viltige oppervlak ontstaat; dit kenmerk is in de Nederlandse literatuur als een trichoderm beschreven.
De honingwasplaat is in Europa vooral een soort van oude, voedselarme en weinig bemeste graslanden. Hij kan onder meer voorkomen in kortgrazige weiden, hooilanden, gazons, begraafplaatsen en vastgelegde duinen. De soort is niet strikt aan kalkrijke bodems gebonden: in Groot-Brittannië wordt hij ook veel op voedselarme zure bodems gevonden.
Zoals bij andere graslandwasplaten wordt vruchtvorming negatief beïnvloed door intensivering van het graslandgebruik en een sterke toevoer van nutriënten. Experimenteel onderzoek aan wasplaten heeft bovendien laten zien dat verstoring van de levende vegetatie hun vruchtvorming kan verminderen, hetgeen eveneens past bij een biotrofe levenswijze.
De honingwasplaat heeft een ruime verspreiding in Europa. Hij is onder meer bekend uit West-, Midden- en Noord-Europa en wordt in Groot-Brittannië en Ierland plaatselijk vrij algemeen gevonden in geschikte voedselarme graslanden. Op basis van de beschikbare Europese gegevens wordt de soort als waarschijnlijk wijdverspreid in Europa beschouwd.
Er bestaan ook meldingen uit het oosten van Noord-Amerika. De identiteit van Noord-Amerikaanse collecties is echter niet volledig opgehelderd en nader moleculair onderzoek is nodig om vast te stellen of deze tot dezelfde soort behoren als de Europese H. reidii.
In Nederland is de honingwasplaat zeldzaam. De gevalideerde Nederlandse waarnemingen zijn vooral afkomstig uit schrale graslanden. Op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen uit 2008 staat de soort in de categorie 'Kwetsbaar'.
Hygrocybe reidii werd door de Franse mycoloog Robert Kühner beschreven op basis van materiaal uit de Franse Alpen. De soortnaam reidii eert de Britse mycoloog Derek Reid. De beschrijving verscheen in deel 92 van het Bulletin de la Société Mycologique de France. Index Fungorum geeft hiervoor de bibliografische notatie 1977 [1976], terwijl de naam in mycologische literatuur doorgaans als Kühner 1976 wordt aangehaald.
De soort werd vroeger verward met Hygrophorus marchii Bres., later Hygrocybe marchii. Reid had onder die naam een Europese wasplaat beschreven die overeenkomt met het huidige begrip van H. reidii. Omdat Kühner H. marchii anders interpreteerde, introduceerde hij voor Reids soortconcept de naam Hygrocybe reidii. In oudere Nederlandse literatuur wordt Hygrophorus marchii sensu Reid daarom als een verkeerde toepassing van de naam bij de honingwasplaat vermeld.
Hygrocybe werd lange tijd in de familie Hygrophoraceae geplaatst. In een fylogenetische herziening van de Agaricales uit 2024 werd de vroegere onderfamilie Hygrocyboideae tot de afzonderlijke familie Hygrocybaceae verheven. Index Fungorum volgt deze indeling en plaatst Hygrocybe reidii in de Hygrocybaceae.
De kenmerkende honingachtige geur in combinatie met de droge oranjerode hoed is belangrijk voor de herkenning. Andere oranje en rode wasplaten kunnen uiterlijk sterk op de soort lijken. Vooral bij exemplaren waarbij de geur zwak ontwikkeld is, kunnen microscopische kenmerken nodig zijn voor een zekere determinatie.