| Hygrocybe | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Zwartwordende wasplaat (Hygrocybe conica), de typesoort van het geslacht | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||
| Hygrocybe (Fr.) P.Kumm. (1871) | ||||||||||||
| ||||||||||||
Hygrocybe is een geslacht van schimmels uit de familie Hygrocybaceae. Het omvat plaatjeszwammen die doorgaans kleine tot middelgrote, opvallend gekleurde vruchtlichamen vormen. Tot het geslacht behoren onder andere de zwartwordende wasplaat (Hygrocybe conica), de scharlaken wasplaat (Hygrocybe coccinea) en de gele wasplaat (Hygrocybe chlorophana).
Het geslacht behoort tot de paddenstoelen die in het Nederlands wasplaten worden genoemd. Deze naam wordt echter ook gebruikt voor soorten uit andere geslachten. Hygrocybe wordt op grond van moleculair onderzoek anno 2026 nauwer afgebakend dan in oudere mycologische literatuur.
De vruchtlichamen van Hygrocybe zijn meestal betrekkelijk klein en hebben een centrale steel met een hoed die aanvankelijk kegelvormig, klokvormig of gewelfd kan zijn en later vaak uitspreidt. De kleur varieert sterk per soort en omvat onder meer gele, oranje, rode, roze en groenachtige tinten. De hoedhuid kan droog, vezelig, kleverig of slijmerig zijn.
Bij soorten zoals Hygrocybe conica is de hoed aanvankelijk uitgesproken kegelvormig en wordt het vruchtlichaam bij beschadiging of veroudering donkergrijs tot zwart. Andere soorten, zoals Hygrocybe coccinea, behouden doorgaans hun opvallende rode kleur.
De lamellen zijn meestal relatief dik en hebben een karakteristieke wasachtige consistentie. Ze staan vaak vrij ver uiteen en kunnen vrij, smal of breed aangehecht of enigszins aflopend zijn. De lamelaanhechting verschilt tussen soorten en soortgroepen.
Het vlees is doorgaans betrekkelijk zacht en breekbaar. De steel is meestal slank, cilindrisch en glad tot vezelig. Een duidelijke ring ontbreekt gewoonlijk. Bij enkele soorten kunnen echter vezelige of slijmerige structuren voorkomen die aan een gedeeltelijk velum doen denken.
De basidiosporen zijn doorgaans glad, dunwandig en kleurloos (hyaliene). Ze zijn meestal ellipsoïde tot langwerpig en vertonen geen amyloïde reactie met Melzers reagens. Bij sommige soorten zijn de sporen enigszins ingesnoerd of onregelmatig van vorm. De sporenprint is wit.
De basidiën zijn doorgaans langgerekt en dragen meestal twee of vier sporen. Bij bepaalde soorten komen twee verschillende grootteklassen van basidiën en sporen voor, een verschijnsel dat dimorfie wordt genoemd. Echte pleurocystiden ontbreken doorgaans en ook cheilocystiden zijn meestal afwezig.
Een belangrijk microscopisch kenmerk is de bouw van het trama van de lamellen. Binnen het ondergeslacht Hygrocybe zijn de hyfen meestal lang en vrijwel evenwijdig gerangschikt, met vaak schuin geplaatste dwarswanden. De hyfenelementen kunnen meer dan 140 μm lang zijn en bij sommige soorten zelfs een lengte van meer dan 1000 μm bereiken.
Bij soorten van het ondergeslacht Pseudohygrocybe zijn de hyfenelementen in het lamellentrama doorgaans aanzienlijk korter, meestal minder dan 140 μm, en is hun rangschikking minder regelmatig. De dwarswanden staan hier vaker ongeveer loodrecht op de lengteas. Gespen komen bij veel soorten voor.
De opvallende kleuren van veel soorten worden veroorzaakt door pigmenten die verwant zijn aan betalainen en zijn afgeleid van L-DOPA. Hiertoe behoren onder andere muscaflavine, flavohygrocybine en rhodohygrocybine.
Deze pigmenten verschillen chemisch van de carotenoïden die bij uiteenlopende andere schimmels voorkomen. De pigmentsamenstelling heeft taxonomische betekenis en ondersteunt de afgrenzing van Hygrocybe ten opzichte van verschillende verwante geslachten.
Bij sommige soorten, waaronder de zwartwordende wasplaat, treden donkere verkleuringen op door chemische veranderingen in de aanwezige pigmenten.
Soorten van Hygrocybe groeien voornamelijk op de bodem. In Europa worden ze vooral aangetroffen in voedselarme, weinig of niet bemeste graslanden, oude hooilanden, schrale bermen, heiden en duingraslanden. Sommige soorten groeien eveneens in bossen, moerassen of andere vochtige vegetaties.
De voedingswijze van het geslacht is lange tijd als saprotroof beschouwd, maar deze interpretatie staat ter discussie. Onderzoek aan stabiele koolstof- en stikstofisotopen wijst erop dat veel bodembewonende wasplaten niet hoofdzakelijk van dood organisch materiaal leven, maar waarschijnlijk een biotrofe levenswijze hebben.
Bij onderzoek aan wasplaten zijn schimmeldraden en schimmel-DNA aangetroffen in levende plantenwortels. Dit ondersteunt de mogelijkheid dat ten minste een deel van de soorten tijdelijk als endofyt leeft. De precieze aard van de relatie met planten is echter nog niet voor alle soorten opgehelderd.
Veel Europese soorten zijn gevoelig voor veranderingen in hun leefgebied, met name voor intensieve bemesting, eutrofiëring en veranderingen in het graslandbeheer. De aanwezigheid van meerdere soorten Hygrocybe kan daarom wijzen op een langdurig weinig bemeste vegetatie met een bijzondere mycologische waarde.
Het geslacht Hygrocybe heeft een wereldwijde verspreiding. In de gematigde gebieden van Europa worden veel soorten vooral in graslanden aangetroffen. In Noord-Amerika en tropische gebieden komen eveneens talrijke soorten voor in bossen. Enkele tropische soorten vormen zelfs vruchtlichamen op hout of andere bovengrondse substraten.
In Nederland komen verschillende soorten voor in schrale graslanden, duinen, oude gazons, bermen en andere relatief voedselarme vegetaties.
De zwartwordende wasplaat heeft een betrekkelijk brede ecologische amplitude en groeit ook buiten de typische wasplaatgraslanden. Andere soorten zijn sterker gebonden aan oude, weinig bemeste graslanden. Zo is de scharlaken wasplaat vooral bekend van schrale, vaak mosrijke graslanden en duinen.
De naam Hygrocybe is afgeleid van de Griekse woorden hygros (vochtig) en kybē (hoofd), een verwijzing naar de vaak vochtige of kleverige hoed van de vruchtlichamen.
Elias Magnus Fries gebruikte de naam voor een groep soorten die later als ondergeslacht binnen Hygrophorus werd behandeld. In 1849 publiceerde hij de naam Hygrophorus subgenus Hygrocybe. Paul Kummer verhief deze groep in 1871 tot het zelfstandige geslacht Hygrocybe.
De typesoort is Hygrocybe conica, de zwartwordende wasplaat. Deze soort vormt het nomenclatorische uitgangspunt voor de afgrenzing van het geslacht.
Traditioneel omvatte Hygrocybe een groot aantal soorten met wasachtige lamellen. Moleculair-fylogenetisch onderzoek heeft aangetoond dat dit ruim opgevatte geslacht (Hygrocybe sensu lato) uit meerdere afzonderlijke evolutionaire lijnen bestaat.
Op basis daarvan zijn verschillende groepen als zelfstandige geslachten onderscheiden, waaronder Gliophorus, Neohygrocybe, Chromosera, Humidicutis, Porpolomopsis en Cuphophyllus. Deze indeling maakt het mogelijk Hygrocybe sensu stricto af te bakenen als een nauwer verwante groep rond de typesoort.
In de indeling van Lodge en medewerkers worden binnen Hygrocybe sensu stricto twee ondergeslachten onderscheiden:
Deze ondergeslachten omvatten verschillende secties en soortgroepen, waarvan de onderlinge verwantschappen met moleculaire technieken worden onderzocht.
In 2024 werd de familie Hygrocybaceae door Vizzini en medewerkers als afzonderlijke familie onderscheiden van de Hygrophoraceae, op basis van een fylogenetische analyse van meerdere genen. De familie omvat naast Hygrocybe verschillende nauw verwante geslachten.
Tot de in Nederland aangetroffen soorten die onder Hygrocybe zijn beschreven en doorgaans tot het geslacht worden gerekend, behoren onder andere:
Dit overzicht is niet uitputtend. De plaatsing en afgrenzing van bepaalde soorten verschillen tussen taxonomische publicaties en databanken. Bovendien zijn sommige traditioneel ruim opgevatte soorten, waaronder H. conica, op basis van moleculair onderzoek als soortencomplexen herkend.