Gewoon vuurzwammetje

Gewoon vuurzwammetje
Gewoon vuurzwammetje
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Hygrocybaceae
Geslacht:Hygrocybe
Soort
Hygrocybe miniata
(Fr.) P. Kumm. (1871)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

Het gewoon vuurzwammetje (Hygrocybe miniata) is een schimmel uit het geslacht Hygrocybe, behorend tot de familie Hygrocybaceae. Het is een kleine wasplaat met een opvallend scharlakenrode tot oranjerode, fijn geschubde hoed, wasachtige lamellen en een droge steel.

De soort groeit voornamelijk op de grond tussen grassen en mossen in schrale graslanden, duinen en heidegebieden, maar komt ook in bossen voor. In Nederland is het gewoon vuurzwammetje algemeen.

Taxonomie

De soort werd in 1821 door Elias Magnus Fries beschreven onder de naam Agaricus miniatus. In 1871 plaatste Paul Kummer de soort in het geslacht Hygrocybe. Deze combinatie wordt door Index Fungorum en Species Fungorum als de geaccepteerde wetenschappelijke naam beschouwd.

Tot de taxonomische synoniemen behoren Agaricus miniatus, Hygrophorus miniatus en Pseudohygrocybe miniata.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed heeft doorgaans een diameter van 1 tot 2,5 cm, maar kan bij sommige exemplaren ongeveer 4 cm bereiken. Aanvankelijk is deze halfbolvormig tot gewelfd. Later wordt hij uitgespreid en kan het midden enigszins ingedrukt raken. De hoedrand is soms gegolfd en bij jonge exemplaren vaak lichter gekleurd.

Het hoedoppervlak is droog, mat en fijn schubbig tot vezelig. De schubjes hebben doorgaans dezelfde kleur als de rest van de hoed en zijn vooral in het centrum duidelijk zichtbaar. Jonge vruchtlichamen zijn scharlakenrood tot bloedrood, waarna de kleur geleidelijk kan verbleken via oranjerood naar oranjegeel. Het centrum blijft soms langer rood gekleurd.

Lamellen

De lamellen zijn betrekkelijk dik, wasachtig en vrij ver uiteenstaand. Ze zijn breed aan de steel aangehecht (adnaat) tot enigszins aflopend (decurrent), soms met een kort aflopend tandje.

De kleur varieert van bleekgeel tot oranje en oranjerood. De lamelsnede kan lichter zijn. Tussen de volledige lamellen komen kortere lamellen (lamellulae) voor.

Steel

De steel is doorgaans 2 tot 4,5 cm lang en 2 tot 5 mm dik. Hij is cilindrisch of naar de voet versmald, droog, glad en mat. De kleur is rood tot oranjerood, vaak met een lichtere, geelachtige of witachtige basis.

De steel is betrekkelijk broos en kan bij oudere exemplaren hol worden. Een ring ontbreekt.

Vlees

Het vlees is dun, geel tot oranje, met onder de hoedhuid en in de buitenste laag van de steel vaak duidelijk rood pigment. De geur is zwak en niet kenmerkend.

Sporenprint

De sporenprint is wit.

Chemische reacties

De reactie van het hoedoppervlak met kaliumhydroxide (KOH) wordt in de literatuur verschillend beschreven. In Nieuw-Zeelandse beschrijvingen wordt een gele verkleuring vermeld, terwijl in Noord-Amerikaanse beschrijvingen een negatieve reactie wordt opgegeven.

De KOH-reactie is daarom zonder aanvullend onderzoek geen betrouwbaar zelfstandig determinatiekenmerk.

Microscopische kenmerken

Sporen

De basidiosporen zijn glad, dunwandig, kleurloos (hyaliene) en inamyloïde. Ze zijn ellipsoïd tot eivormig en kunnen, vooral in vooraanzicht, enigszins peervormig zijn. Een deel van de sporen vertoont een lichte insnoering rond het midden. Het apiculus is doorgaans zichtbaar.

De afmetingen liggen volgens verschillende beschrijvingen meestal rond 7–9 × 4–5,5 µm. Er bestaat variatie tussen onderzochte collecties; in Noord-Amerikaans materiaal zijn ook kleinere sporen beschreven.

Basidiën

De basidiën zijn langwerpig knotsvormig en doorgaans viersporig. Ze meten ongeveer 30–45 × 7–9 µm, hoewel in sommige collecties langere basidiën zijn beschreven. De vier sporen worden gedragen op sterigmen.

Cystiden

Echte hymeniale cystiden ontbreken. Bij sommige collecties kunnen aan de lamelsnede uitstekende, draadvormige hyfeneinden voorkomen die op cystiden lijken. Deze worden als pseudocystiden aangeduid.

Lamellentrama

Het lamellentrama heeft een regelmatige tot enigszins subregelmatige structuur, met overwegend parallel gerangschikte hyfen. De hyfenelementen zijn betrekkelijk kort en cilindrisch, vaak met lengten tot ongeveer 150 µm.

Deze relatief korte trama-elementen zijn belangrijk bij het onderscheid met het broos vuurzwammetje (Hygrocybe helobia), dat veel langere, naar de uiteinden toegespitste elementen heeft.

Hoedhuid

De pileipellis bestaat vooral in het centrum van de hoed uit een trichoderm, waarbij de hyfen min of meer opgericht staan. Naar de hoedrand kan de structuur meer het karakter van een cutis krijgen, met overwegend liggende hyfen.

De hyfen zijn ongeveer 5–15 µm breed, cilindrisch en niet of nauwelijks gegelatineerd. De eindcellen zijn vaak knotsvormig tot enigszins toegespitst. De schubbigheid van de hoed wordt veroorzaakt door groepjes van deze opgerichte hyfen.

Het pigment is voornamelijk intracellulair en kan in water oranjerood zijn, terwijl het in KOH geelachtig kan worden. Gespen zijn aan de hyfensepta aanwezig.

Gelijkende soorten

Het gewoon vuurzwammetje behoort tot een groep kleine, rode wasplaten waarvan de soorten uiterlijk sterk op elkaar kunnen lijken.

Het broos vuurzwammetje (Hygrocybe helobia) heeft eveneens een rode, fijn geschubde hoed. Het heeft vaak blekere, bijna witte tot bleekgele lamellen, is opvallend breekbaar en kan een zwakke knoflookgeur bezitten. Microscopisch onderscheidt deze soort zich door de aanzienlijk langere, vaak toegespitste trama-elementen, die ongeveer 150–700 µm lang kunnen zijn.

Ook de scharlaken wasplaat (Hygrocybe coccinea) heeft een rode hoed, maar deze is doorgaans gladder en bij vochtig weer vettig tot enigszins kleverig in plaats van droog en duidelijk fijn geschubd.

Bij twijfel is microscopisch onderzoek noodzakelijk. Vooral de vorm en afmetingen van de sporen, de structuur van het lamellentrama en de opbouw van de pileipellis zijn daarbij van belang.

Ecologie

Het gewoon vuurzwammetje groeit op de grond, vooral tussen grassen, mossen en strooisel in voedselarme tot matig voedselarme vegetaties. In Nederland komt de soort onder andere voor in schrale duingraslanden, heischrale graslanden, grazige heiden, schrale bermen en soms in loofbossen en gemengde bossen. Hij groeit zowel op zandige als op venige en humusrijke bodems.

In tegenstelling tot veel andere wasplaten heeft het gewoon vuurzwammetje een betrekkelijk brede ecologische verspreiding. Het wordt zowel op zure als op kalkhoudende bodems aangetroffen en is niet uitsluitend aan oude wasplaatgraslanden gebonden.

De soort wordt in traditionele ecologische indelingen als terrestrische saprotroof beschouwd. De precieze voedingswijze van wasplaten is echter niet volledig opgehelderd. Onderzoek heeft aangetoond dat hyfen van verschillende wasplaten in levende plantenwortels kunnen voorkomen, wat wijst op een mogelijke biotrofe of endofytische levenswijze. In hoeverre dit specifiek voor het gewoon vuurzwammetje geldt, is nog niet vastgesteld.

De vruchtlichamen verschijnen vooral in de nazomer en herfst. In Nederland ligt de belangrijkste fructificatieperiode in de herfst, afhankelijk van de weersomstandigheden.

Verspreiding

Het gewoon vuurzwammetje is wijdverspreid en is bekend uit Europa, Noord- en Midden-Amerika, Azië, Australië en Nieuw-Zeeland. De soort wordt onder meer uit graslanden, heiden en verschillende bostypen gemeld. Door mogelijke verwarring met verwante soorten moeten verspreidingsgegevens uit verschillende werelddelen voorzichtig worden geïnterpreteerd.

In Nederland is het gewoon vuurzwammetje algemeen. Het wordt in een groot deel van het land aangetroffen, waaronder in de duinen en op de hogere zandgronden. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas heeft de soort op de Rode Lijst van 2008 de categorie 'thans niet bedreigd'.

Afbeeldingen

Zie ook