| Kabouterwasplaat | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Kabouterwasplaat | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Hygrocybe insipida (J.E. Lange) M.M. Moser (1967) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Hygrophorus insipidus | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De kabouterwasplaat (Hygrocybe insipida) is een schimmel uit de familie Hygrocybaceae. De soort vormt kleine, doorgaans geel-, oranje- tot roodkleurige vruchtlichamen en groeit vooral in voedselarme, kortgrazige graslanden. In Nederland is hij vrij zeldzaam.
Het geslacht Hygrocybe werd lange tijd in de familie Hygrophoraceae geplaatst. Bij een fylogenetische herziening van de Agaricales werd de voormalige onderfamilie Hygrocyboideae in 2024 tot de familie Hygrocybaceae verheven; Hygrocybe is hiervan het typegeslacht.
De hoed is klein, meestal ongeveer 0,5–2,5 cm breed. Hij is aanvankelijk gewelfd en wordt later breed gewelfd tot vrijwel vlak. Het oppervlak is glad en in vochtige toestand kleverig tot enigszins slijmerig. De hoedrand kan doorschijnend gestreept zijn. De kleur varieert van geel en geeloranje tot oranje- of scharlakenrood, vaak met een donkerder roodachtig of oranje centrum en een lichtere, geelachtige rand.
De lamellen zijn dik en tamelijk ver uit elkaar geplaatst. Ze zijn breed aan de steel aangehecht tot enigszins aflopend. De kleur is geelachtig tot oranjegeel, waarbij de snede vaak bleker is.
De steel is ongeveer 1,5–5,5 cm lang en 1–3 mm dik. Hij is slank, cilindrisch en vaak enigszins gebogen. Het oppervlak is glad en bij verse vruchtlichamen enigszins kleverig. De steel is vaak rood tot oranjerood in het bovenste gedeelte en wordt naar de voet toe geel of geeloranje. Een ring ontbreekt.
Het vlees is dun en geelachtig tot oranje. Geur en smaak zijn niet opvallend. De sporenafdruk is wit.
De basidiosporen zijn glad, kleurloos (hyalien) en inamyloïd. Ze zijn ellipsoïd tot langwerpig ellipsoïd en een klein deel kan in het midden of nabij één uiteinde enigszins ingesnoerd zijn. De opgegeven afmetingen variëren enigszins tussen verschillende onderzoeken. Arnolds vermeldde (5,5–)6,0–9,5(–11,5) × 3,0–5,0(–6,5 µm), terwijl Boertmann (5,0–)6,0–7,5(–9,0) × 3,0–4,0(–5,0) µm opgaf.
De basidia zijn doorgaans viersporig en langgerekt; maten tot ongeveer 40–45 µm lang worden vermeld. Hymeniale cystidia ontbreken. Het trama van de lamellen bestaat uit min of meer parallel verlopende hyfen. De pileipellis is een ixocutis tot ixotrichoderm van gegelatineerde hyfen; de bekleding van de steel is eveneens als ixocutis ontwikkeld.
De kabouterwasplaat groeit vooral in oude, kortgrazige, niet of slechts weinig bemeste graslanden. In Nederland wordt hij daarnaast aangetroffen in bermen en langs dijken. Hij kan voorkomen op zowel vochtige als relatief droge en zowel zure als basische bodems. Volgens de Nederlandse ecologische indeling is grasland op kalkarm zand in het binnenland een belangrijk biotoop en groeit de soort op of tussen humus. Elders in Europa wordt hij ook gemeld uit extensief beheerde gazons, kerkhoven en grazige, met mos begroeide duinen.
De voedingswijze van wasplaten is lange tijd als saprotroof beschouwd en de kabouterwasplaat staat in de Nederlandse Standaardlijst nog als terrestrische saprotroof vermeld. Onderzoek aan wasplaten heeft echter aangetoond dat hyfen van Hygrocybe levende plantenwortels kunnen koloniseren. Daarnaast wijzen koolstof- en stikstofisotopen erop dat wasplaten niet functioneren als klassieke bodemsaprofyten, maar waarschijnlijk een biotrofe, mogelijk endofytische relatie met planten hebben. De precieze voedingswijze en de eventuele waardplanten van H. insipida zijn nog niet vastgesteld.
Zoals veel soorten van voedselarme wasplatengraslanden is de kabouterwasplaat gevoelig voor veranderingen in het beheer. De Nederlandse Verspreidingsatlas vermeldt negatieve effecten van zowel vermesting als verzuring.
De vruchtlichamen verschijnen vooral vanaf de late zomer tot in de herfst.
De kabouterwasplaat is wijd verspreid in Europa. Hij is onder meer bekend uit een groot deel van continentaal Europa en uit Groot-Brittannië en Ierland. De soort is ook uit India beschreven; onderzochte collecties uit Kerala kwamen morfologisch goed overeen met Europees materiaal.
Uit Noord-Amerika zijn eveneens vondsten onder de naam Hygrocybe insipida gemeld, maar de soort wordt daar veel minder vaak opgegeven. De afgrenzing ten opzichte van enkele kleine rood- en geelkleurige wasplaten is lastig, waardoor met name oudere Noord-Amerikaanse meldingen met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd.
In Nederland is de kabouterwasplaat volgens de gevalideerde waarnemingen over de periode 2004–2023 vrij zeldzaam. In oudere Nederlandse overzichten werd de soort vooral in het westen van het land vaker gemeld en werd een achteruitgang vastgesteld. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen in de categorie 'kwetsbaar'.
Jakob Emanuel Lange beschreef het taxon in 1923 als Hygrocybe reae var. insipida. Dit is het basioniem van de huidige naam. Seth Lundell combineerde het taxon in 1956 als Hygrophorus insipidus. Meinhard Michael Moser bracht het in 1967 op soortniveau onder in het geslacht Hygrocybe als Hygrocybe insipida.
Een andere combinatie is Gliophorus insipidus (J.E. Lange) Kovalenko uit 1988. Species Fungorum beschouwt deze naam, evenals Hygrophorus insipidus, als synoniem van Hygrocybe insipida.