Wasplaatgrasland

Een wasplaatgrasland of wasplatengrasland is een grasland met een bijzondere, soortenrijke mycoflora, waarin verschillende soorten wasplaten en andere gespecialiseerde graslandpaddenstoelen voorkomen. Het betreft doorgaans oude, niet of nauwelijks bemeste graslanden met een langdurig ongestoorde bodem en een korte, schrale vegetatie. Naast wasplaten zijn vooral satijnzwammen, knotszwammen, aardtongen en barsthoeden kenmerkend.

Wasplaatgraslanden behoren tot de meest waardevolle graslanden voor paddenstoelen in Europa. Veel kenmerkende soorten zijn zeldzaam of bedreigd doordat hun leefgebieden door intensivering van de landbouw, bemesting en veranderingen in het natuurbeheer sterk zijn achteruitgegaan. De soortenrijkdom aan paddenstoelen is niet altijd gekoppeld aan een hoge soortenrijkdom aan vaatplanten. Een botanisch betrekkelijk soortenarm grasland kan daardoor toch een grote mycologische waarde hebben.

Kenmerken

Wasplaatgraslanden worden vooral gekenmerkt door hun paddenstoelengemeenschap en vormen geen afzonderlijke plantensociologische eenheid. Ze kunnen deel uitmaken van verschillende vegetatietypen, zoals heischraal grasland, kalkgrasland, duingrasland, schrale kamgrasweiden en oude hooilanden.

De belangrijkste gemeenschappelijke kenmerken zijn:

Wasplaatgraslanden kunnen voorkomen op zure, neutrale en kalkhoudende bodems. De soortensamenstelling verschilt naargelang de zuurgraad, bodemtextuur, vochtigheid en de geschiedenis van het terrein. Ze zijn niet uitsluitend aan droge graslanden gebonden; ook vochtige duinvalleien en matig vochtige, schrale hooilanden kunnen een rijke mycoflora herbergen.

Kenmerkende paddenstoelen

De karakteristieke paddenstoelengemeenschap bestaat uit verschillende groepen die gezamenlijk worden aangeduid met de afkorting CHEGD. Deze letters verwijzen naar de belangrijkste taxonomische groepen:

Wasplaten

Wasplaten zijn de opvallendste paddenstoelen van dit graslandtype. Veel soorten hebben levendig rode, gele, oranje of groene vruchtlichamen, hoewel ook witte, grijze en bruine soorten voorkomen.

Voorbeelden van soorten die in Nederlandse wasplaatgraslanden kunnen worden aangetroffen, zijn:

Vooral de aanwezigheid van veeleisende soorten, zoals de scharlaken wasplaat en de granaatbloemwasplaat, kan wijzen op oude graslanden met een lange periode zonder ingrijpende bodemverstoring.

Overige graslandpaddenstoelen

Naast wasplaten kunnen onder meer de gele knotszwam (Clavulinopsis helvola), fraaie knotszwam (Clavulinopsis laeticolor), verblekende knotszwam (Clavulinopsis luteoalba), zwartsneesatijnzwam (Entoloma serrulatum) en grauwe barsthoed (Dermoloma cuneifolium) voorkomen.

Aardtongen vormen een andere karakteristieke groep. Hun donkere, tong- of knotsvormige vruchtlichamen kunnen tussen gras en mos groeien. Sommige soorten zijn sterk gebonden aan oude, voedselarme graslanden.

Niet alle soorten komen gezamenlijk in ieder wasplaatgrasland voor. Kalkrijke, kalkarme, droge en vochtige graslanden herbergen verschillende soortengemeenschappen. Ook kan de verhouding tussen de aantallen soorten wasplaten, satijnzwammen, knotszwammen en aardtongen per terrein sterk verschillen.

Ecologie

Bodem en vegetatie

De ontwikkeling van een soortenrijk wasplaatgrasland hangt sterk samen met de geschiedenis van de bodem. Veel kenmerkende paddenstoelen verschijnen pas in grotere aantallen nadat een grasland gedurende tientallen jaren zonder ingrijpende verstoring is beheerd.

De bodem heeft doorgaans een goed ontwikkeld humusprofiel. Regelmatig ploegen, diep grondverzet en intensieve bemesting verhinderen de ontwikkeling van een dergelijke bodem en kunnen bestaande schimmelgemeenschappen ernstig aantasten.

Ook de structuur van de vegetatie speelt een rol. In een korte, open grasmat kunnen de vruchtlichamen van gespecialiseerde graslandpaddenstoelen zich goed ontwikkelen. Bij verruiging ontstaat een dichte vegetatie met ophoping van strooisel, waardoor de omstandigheden voor veel soorten verslechteren.

Voedingswijze

De precieze voedingswijze van veel wasplaten en andere kenmerkende graslandpaddenstoelen is nog niet volledig opgehelderd.

Lange tijd werden deze schimmels vooral als saprotrofen beschouwd, die dood organisch materiaal in de bodem afbreken. Onderzoek naar de verhouding van stabiele koolstof- en stikstofisotopen en de aanwezigheid van schimmeldraden in levende planten wijst er echter op dat ten minste een deel van de wasplaten een biotrofe levenswijze heeft.

Bij sommige soorten zijn schimmeldraden in levende plantenwortels aangetoond. Ook is een relatie vastgesteld tussen wasplaten en smalle weegbree (Plantago lanceolata). Deze bevindingen wijzen op een nauwe relatie met levende planten, mogelijk in de vorm van endofytisme of symbiose. De aard van deze relaties en de opname van voedingsstoffen zijn nog onderwerp van onderzoek.

Vruchtvorming

De meeste kenmerkende paddenstoelen vormen hun vruchtlichamen in de nazomer en herfst, wanneer de bodem voldoende vochtig is en de temperatuur gunstig is.

De aantallen vruchtlichamen kunnen van jaar tot jaar sterk verschillen. Het ontbreken van een soort tijdens een enkele inventarisatie betekent daarom niet noodzakelijk dat het ondergrondse mycelium afwezig is. Voor een betrouwbare beoordeling van een grasland zijn inventarisaties gedurende meerdere jaren wenselijk.

Verspreiding

Nederland

Wasplaatgraslanden komen verspreid over Nederland voor, maar goed ontwikkelde voorbeelden zijn schaars. Belangrijke groeiplaatsen liggen onder meer in de kustduinen, op oude dijken, in heischrale graslanden, op kalkrijke hellingen en in langdurig extensief beheerde hooilanden.

Bekende gebieden met een rijke graslandmycoflora zijn:

De Nederlandse Mycologische Vereniging heeft uitgebreid onderzoek verricht naar wasplaatgraslanden. In de Amsterdamse Waterleidingduinen is de ontwikkeling van de mycoflora gedurende meerdere decennia gevolgd. Daaruit blijkt dat verschralend beheer en het tegengaan van verruiging gunstige omstandigheden kunnen scheppen voor kenmerkende graslandpaddenstoelen.

Europa

Wasplaatgraslanden komen ook elders in Europa voor, vooral in gebieden waar traditioneel extensief graslandbeheer behouden is gebleven.

In Groot-Brittannië en Ierland komen belangrijke concentraties voor, onder meer in Wales en Schotland. Daar worden wasplaten en andere CHEGD-paddenstoelen gebruikt bij het vaststellen van de natuurwaarde van graslanden.

Buiten Europa komen veel verwante of dezelfde wasplaatsoorten ook in bossen voor. De sterke binding van wasplaten aan open graslanden is daardoor vooral kenmerkend voor delen van Europa.

Beoordeling van de natuurwaarde

De mycologische waarde van graslanden kan worden beoordeeld aan de hand van het aantal aanwezige soorten karakteristieke graslandpaddenstoelen.

In Nederlandse inventarisaties wordt traditioneel van een wasplaatgrasland gesproken wanneer binnen een aaneengesloten terrein ten minste vijf soorten wasplaten voorkomen. Bij tien of meer soorten wasplaten wordt doorgaans gesproken van een goed ontwikkeld wasplaatgrasland.

Voor een uitgebreidere beoordeling kunnen alle CHEGD-groepen worden meegenomen. Daarbij worden de aantallen soorten wasplaten, knotszwammen, satijnzwammen, aardtongen en barsthoeden gezamenlijk beschouwd.

De soortenrijkdom is een belangrijke indicator voor de continuïteit en kwaliteit van een grasland, maar moet worden geïnterpreteerd in samenhang met de oppervlakte, bodemgesteldheid, beheergeschiedenis en inventarisatie-inspanning. Ook de aanwezigheid van zeldzame of bedreigde soorten is van belang.

Bedreigingen

Wasplaatgraslanden zijn in Nederland sterk achteruitgegaan. Volgens historische schattingen is in de twintigste eeuw ongeveer 98% van de oorspronkelijke oppervlakte verloren gegaan. Deze achteruitgang hangt vooral samen met veranderingen in het agrarische grondgebruik.

Belangrijke bedreigingen zijn:

Veel kenmerkende soorten staan op de Nederlandse Rode Lijst van bedreigde soorten. Het verdwijnen van oude wasplaatgraslanden is bijzonder problematisch doordat hun karakteristieke schimmelgemeenschappen zich vaak pas na tientallen jaren kunnen ontwikkelen.

Beheer en bescherming

Het beheer van wasplaatgraslanden is gericht op het behoud van een schrale, lage vegetatie, een ongestoord bodemprofiel en een geschikte waterhuishouding.

Maaien en begrazing

Zowel hooilandbeheer als extensieve begrazing kan geschikt zijn. Maaien in de nazomer, gevolgd door het afvoeren van het maaisel, helpt bij het verwijderen van voedingsstoffen. Hierdoor wordt verruiging beperkt.

Bij begrazing is een juiste begrazingsdruk belangrijk. Een te lage begrazingsdruk kan leiden tot verruiging en strooiselophoping, terwijl een te hoge begrazingsdruk schade kan veroorzaken door vertrapping en bodemverdichting.

Een combinatie van maaien en nabeweiding kan gunstig zijn, maar de meest geschikte methode hangt af van de vochtigheid, bodemgesteldheid, vegetatie en geschiedenis van het terrein.

Bodembescherming

In bestaande wasplaatgraslanden moeten ingrijpende grondwerkzaamheden zoveel mogelijk worden vermeden. Vooral het verwijderen van het oude humusprofiel kan grote schade veroorzaken.

Herstel van verruigde terreinen is soms mogelijk door verschralend beheer te hervatten. Het ontwikkelen van een volledig nieuwe, soortenrijke paddenstoelengemeenschap op voormalige landbouwgrond kan echter zeer lang duren.

Bij natuurherstel is daarom het behoud van bestaande oude graslanden doorgaans belangrijker dan het opnieuw aanleggen van vergelijkbare vegetaties.

Wasplatenreservaat

Op 30 oktober 2013 werd in de Rotstergaaster Wallen bij Heerenveen het eerste Nederlandse wasplatenreservaat geopend. Dit gebeurde op initiatief van Staatsbosbeheer en de Nederlandse Mycologische Vereniging.

In dit reservaat wordt bij het beheer specifiek rekening gehouden met de ontwikkeling en het behoud van wasplaten en andere kenmerkende graslandpaddenstoelen.

Onderzoek

Het belang van wasplaatgraslanden werd in Nederland onder meer onderzocht door de mycoloog Eef Arnolds. Zijn studies naar de ecologie van graslandpaddenstoelen droegen bij aan de herkenning van wasplaatgraslanden als bijzondere en kwetsbare paddenstoelrijke leefgebieden.

Later onderzoek richtte zich onder meer op de relaties tussen schimmels en levende planten, de invloed van stikstofdepositie en de effecten van verschillende beheersvormen.

Langjarige monitoring, zoals in de Amsterdamse Waterleidingduinen, heeft laten zien dat paddenstoelengemeenschappen anders kunnen reageren op veranderingen in het beheer dan de bovengrondse vegetatie. Daarom vormt de inventarisatie van paddenstoelen een belangrijke aanvulling op botanisch onderzoek bij de beoordeling van graslandecosystemen.

Zie ook