De mycoflora of paddenstoelenflora is het geheel van schimmelsoorten dat in een bepaald geografisch gebied, ecosysteem of habitat voorkomt. De term wordt vooral gebruikt voor de paddenstoelen (macrofungi) van een gebied, maar kan in ruimere zin ook betrekking hebben op microscopische schimmels. De mycoflora vormt een onderdeel van de biodiversiteit en wordt bestudeerd binnen de mycologie.
De samenstelling van de mycoflora verschilt per gebied en hangt onder meer samen met de vegetatie, de bodemgesteldheid, het klimaat, de beschikbaarheid van organisch materiaal en het gevoerde natuurbeheer. Door veranderingen in de soortensamenstelling te onderzoeken kan informatie worden verkregen over de toestand en ontwikkeling van ecosystemen.
Het woord mycoflora is samengesteld uit het Griekse mykes (zwam) en het Latijnse flora (plantenwereld). De benaming is ontstaan in een periode waarin schimmels traditioneel bij de planten werden ingedeeld. Tegenwoordig vormen schimmels een zelfstandig rijk, naast onder andere het plantenrijk en het dierenrijk.
Als alternatief voor mycoflora wordt de term funga gebruikt, naar analogie van flora voor planten en fauna voor dieren. In 2018 stelden mycologen Francisco Kuhar, Giuliana Furci, Elisandro Ricardo Drechsler-Santos en Donald H. Pfister voor om funga als algemene aanduiding voor de schimmelsoorten van een gebied te gebruiken. Ook de term mycobiota wordt hiervoor gebruikt.
In de Nederlandse mycologische literatuur zijn mycoflora en paddenstoelenflora ingeburgerde begrippen. Zo verscheen in 1985 onder redactie van Eef Arnolds de publicatie Veranderingen in de paddestoelenflora (mycoflora), waarin veranderingen in de Nederlandse paddenstoelenwereld werden behandeld.
In de mycologie kan het woord flora, evenals funga, ook verwijzen naar een wetenschappelijk naslagwerk met beschrijvingen en determinatiesleutels voor een bepaalde groep schimmels.
De paddenstoelenflora omvat verschillende groepen schimmels die met het blote oog zichtbare vruchtlichamen vormen. Het betreft voornamelijk soorten uit de steeltjeszwammen (Basidiomycota) en de zakjeszwammen (Ascomycota). Hiertoe behoren onder andere plaatjeszwammen, boleten, bekerzwammen, aardtongen, korstzwammen, knotszwammen en koraalzwammen.
De zichtbare vruchtlichamen vormen slechts een deel van het schimmelorganisme. Het grootste deel bestaat doorgaans uit een mycelium, een netwerk van schimmeldraden dat zich in de bodem, in hout of in ander organisch materiaal bevindt. Hierdoor kunnen schimmels in een gebied aanwezig zijn zonder dat er op een bepaald moment vruchtlichamen zichtbaar zijn.
Schimmels vervullen uiteenlopende functies in ecosystemen. Op basis van hun levenswijze worden binnen de mycoflora verschillende ecologische of functionele groepen onderscheiden:
De verhouding tussen deze functionele groepen kan sterk verschillen tussen ecosystemen. Zo vormen mycorrhizaschimmels een belangrijk onderdeel van de mycoflora van veel bossen, terwijl in andere leefgebieden saprotrofe soorten een groter aandeel kunnen hebben.
De samenstelling van de mycoflora wordt bepaald door een samenspel van abiotische en biotische factoren. Belangrijke factoren zijn onder meer bodemzuurgraad, voedselrijkdom, vochtgehalte, temperatuur, aanwezige boom- en plantensoorten en de hoeveelheid dood hout.
Verschillende natuurtypen bezitten daardoor een karakteristieke mycoflora. Zo onderscheiden de paddenstoelensoorten van loofbossen en naaldbossen zich gedeeltelijk van die van graslanden, heiden, duinen, moerassen en venen. Ook oude lanen, parken en schrale bermen kunnen een bijzondere en soortenrijke mycoflora herbergen.
Binnen bossen is de beschikbaarheid van verschillende vormen van dood hout van belang voor houtbewonende soorten. Voor mycorrhizavormende soorten zijn onder meer de aanwezige boomsoorten en de bodemomstandigheden bepalend. In voedselarme graslanden kunnen karakteristieke gemeenschappen voorkomen met onder andere wasplaaten, satijnzwammen, aardtongen en knotszwammen.
Het onderzoek naar de mycoflora van een gebied omvat het vaststellen van de aanwezige soorten, hun verspreiding, ecologie en veranderingen in de tijd. Dit gebeurt onder meer door middel van veldinventarisaties, het verzamelen en determineren van vruchtlichamen en het vastleggen van waarnemingen in databanken.
Bij het determineren worden uiterlijke kenmerken, zoals vorm, kleur en afmetingen van de vruchtlichamen, gecombineerd met microscopische kenmerken van bijvoorbeeld sporen en cystiden. Voor sommige soortgroepen wordt daarnaast gebruikgemaakt van DNA-barcoding en andere moleculaire technieken.
Een belangrijke beperking van veldinventarisaties is dat veel schimmels niet ieder jaar of slechts gedurende een korte periode vruchtlichamen vormen. De waargenomen soorten vormen daardoor niet noodzakelijk een volledig beeld van alle schimmels die in een gebied aanwezig zijn. Herhaalde inventarisaties, bij voorkeur gedurende meerdere jaren, zijn nodig om een vollediger beeld te verkrijgen.
Bij de kartering van paddenstoelen worden waarnemingen vastgelegd om de geografische verspreiding van soorten te bepalen. Bij monitoring worden inventarisaties gedurende langere tijd herhaald om ontwikkelingen in de verspreiding en soortensamenstelling vast te stellen.
In Nederland worden verspreidingsgegevens van paddenstoelen onder meer verzameld door de Nederlandse Mycologische Vereniging en opgenomen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De gegevens worden gebruikt voor verspreidingskaarten, onderzoek naar veranderingen in de paddenstoelenflora en de beoordeling van de bedreigingsstatus van soorten.
Binnen het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) bestaan meetprogramma's voor paddenstoelen in bossen op zandgronden, de zeereep en moerassen en venen. De verzamelde gegevens worden onder meer door het Centraal Bureau voor de Statistiek geanalyseerd om trends in de verspreiding van soorten te bepalen.
De mycoflora van een gebied kan veranderen onder invloed van natuurlijke processen en menselijke activiteiten. Veranderingen in landgebruik, stikstofdepositie, verzuring, vermesting, verdroging en klimaat kunnen gevolgen hebben voor de aanwezige schimmelsoorten.
Vooral soorten die afhankelijk zijn van voedselarme bodems of specifieke boomsoorten en leefgebieden kunnen gevoelig zijn voor veranderingen in hun omgeving. De aanwezigheid of afwezigheid van bepaalde soorten kan daarom informatie geven over de ecologische kwaliteit van een gebied.
Uit onderzoek van het CBS, gepubliceerd in maart 2026, bleek dat de verspreiding van onderzochte bospaddenstoelen in Nederland sinds 2010 was afgenomen, na een eerdere periode van herstel. Vooral stikstofgevoelige, ectomycorrhizavormende soorten vertoonden een achteruitgang.
Bij het natuurbeheer kan rekening worden gehouden met de mycoflora door onder meer dood hout te behouden, voedselarme omstandigheden te beschermen en de continuïteit van geschikte leefgebieden te waarborgen. Onderzoek naar de mycoflora levert daarmee informatie voor natuurbescherming, natuurbeheer en het opstellen van Rode lijsten.
De Nederlandse paddenstoelenflora omvat duizenden soorten en is uitgebreid gedocumenteerd door de Nederlandse Mycologische Vereniging. In de NDFF Verspreidingsatlas worden gegevens over het voorkomen, de ecologie en de verspreiding van Nederlandse paddenstoelensoorten bijgehouden.
De Nederlandse mycoflora is niet gelijkmatig over het land verdeeld. Sommige soorten zijn wijdverspreid en komen in uiteenlopende habitats voor, terwijl andere soorten gebonden zijn aan specifieke bodems, vegetaties of substraten. De verschillen tussen gebieden maken regionale inventarisaties belangrijk voor het vaststellen van de mycologische betekenis van natuurterreinen.
De Nederlandse Mycologische Vereniging publiceert sinds lange tijd onderzoeken naar de verspreiding en veranderingen van paddenstoelen. De verzamelde gegevens worden onder meer gebruikt voor het aanwijzen van mycologisch waardevolle gebieden en voor het beoordelen van de effecten van veranderingen in het milieu en natuurbeheer.