Groengele wasplaat

Groengele wasplaat
Groengele wasplaat
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Hygrocybaceae
Geslacht:Hygrocybe
Soort
Hygrocybe citrinovirens
(J.E. Lange) Jul. Schäff. (1947)
Synoniemen

Camarophyllus citrinovirens

Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De groengele wasplaat (Hygrocybe citrinovirens) is een schimmel uit de familie Hygrocybaceae. Deze wasplaat komt voornamelijk voor in oude, voedselarme graslanden die langdurig extensief worden beheerd. De soort is herkenbaar aan de relatief grote, citroen- tot groengele vruchtlichamen, de droge, vezelige hoed met een opvallend spitse top en de neiging van de hoedrand om bij het uitgroeien radiaal in te scheuren.

De groengele wasplaat wordt beschouwd als een indicator van soortenrijke, weinig bemeste graslanden. In Nederland is hij zeer zeldzaam.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed is 2,5–9 cm in diameter en aanvankelijk smal kegelvormig, met een opvallend spitse top. Bij het ouder worden spreidt de hoed zich uit, waarbij een duidelijke, vaak scherp uitstekende centrale bult (umbo) behouden blijft. De hoedrand wordt daarbij dikwijls golvend of gelobd en kan diep radiaal inscheuren.

Het hoedoppervlak is droog, aanvankelijk betrekkelijk glad en later duidelijk radiaal vezelig. Plaatselijk kunnen fijne schubjes ontstaan, vooral bij de hoedrand en rond het centrum. De kleur varieert van bleek citroengeel tot groengeel, soms met een oranjegele tint. Het hoedvlees is aanzienlijk bleker dan het oppervlak.

Lamellen

De lamellen zijn breed, dik en wasachtig, aanvankelijk witachtig en later lichtgeel. Ze staan vrij of zijn smal aan de steel aangehecht. De lamelsnede is vaak enigszins gekarteld of onregelmatig getand.

Steel

De steel is 5–13 cm lang en 0,7–2 cm dik. Hij is meestal cilindrisch, maar kan bij oudere exemplaren zijdelings afgeplat zijn, overlangse groeven vertonen of splijten.

De kleur is bleek citroengeel tot groengeel, soms met oranjegele tinten, en wordt naar de basis toe doorgaans lichter. Het oppervlak is droog, aanvankelijk mat of zijdeachtig en later vaak overlangs vezelig. Soms is de steel aan de top fijnschubbig of over de gehele lengte licht berijpt. Een ring (annulus) ontbreekt.

Geur en smaak

De geur en smaak zijn niet opvallend of karakteristiek.

Microscopische kenmerken

De sporen zijn elliptisch tot soms bijna bolvormig, glad en dunwandig. Sommige sporen vertonen een enigszins holle zijde. Ze meten 6,5–8,5 × 4–6 µm en zijn inamyloïd. De sporenafdruk is wit.

De basidiën zijn overwegend viersporig.

De hoedhuid (pileipellis) bestaat uit een cutis, een laag van min of meer evenwijdig aan het hoedoppervlak verlopende hyfen. De hyfen hebben doorgaans een diameter van 3,5–11 µm.

De lamellentrama is regelmatig opgebouwd uit langgerekte hyfenelementen van ongeveer 250–600 µm lang en 12–30 µm breed.

Gelijkende soorten

De groengele wasplaat kan worden verward met andere gele wasplaten. Vooral de volgende soorten vertonen gelijkenis:

De combinatie van een droge, radiaal vezelige, groengele hoed met een blijvend spitse top en een vaak ingescheurde hoedrand is kenmerkend voor de groengele wasplaat. Voor een zekere determinatie kan microscopisch onderzoek nodig zijn.

Ecologie

De groengele wasplaat groeit op de bodem van oude, soortenrijke, weinig bemeste graslanden. Hij wordt vooral aangetroffen in kortgrazige vegetaties die langdurig door begrazing of maaien in stand worden gehouden. De soort komt zowel op kalkhoudende als op kalkarme bodems voor en is vooral gebonden aan graslanden met een geringe beschikbaarheid van voedingsstoffen, waaronder fosfor.

In Nederland wordt de soort vooral in verband gebracht met schrale graslanden op krijthellingen en humusarme kleibodems.

De groengele wasplaat behoort tot de karakteristieke schimmelgemeenschap van zogenoemde wasplaatgraslanden. In dergelijke graslanden komen vaak ook andere soorten uit het geslacht Hygrocybe, satijnzwammen (Entoloma), knotszwammen en aardtongen voor.

De voedingswijze is niet volledig opgehelderd. In traditionele ecologische indelingen wordt de soort als terrestrische saprotroof beschouwd. Onderzoek naar wasplaten wijst echter op een complexere levenswijze, waarbij biotrofe of mutualistische associaties met planten een rol kunnen spelen. De precieze aard van deze relaties is niet voor alle soorten vastgesteld.

Bemesting, intensivering van het agrarisch gebruik en het beëindigen van traditioneel graslandbeheer zijn ongunstig voor de soort. Ook verruiging van de vegetatie door het achterwege blijven van maaien of begrazen kan de vorming van vruchtlichamen beperken.

De vruchtlichamen verschijnen voornamelijk in de nazomer en herfst. In Groot-Brittannië en Ierland loopt de vruchtperiode doorgaans van augustus tot november.

Verspreiding

De groengele wasplaat komt verspreid voor in Europa, met het zwaartepunt van de bekende vindplaatsen in Noordwest-Europa. De soort is onder meer gemeld uit Scandinavië, de Britse Eilanden, Duitsland, Frankrijk, Nederland en verschillende landen in Midden- en Zuid-Europa. Ook uit de Kaukasus, waaronder Georgië, zijn waarnemingen bekend.

In Nederland komt de groengele wasplaat zeer zeldzaam voor. De NDFF Verspreidingsatlas hanteert deze zeldzaamheidsklasse op basis van gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023.

Bedreiging en bescherming

De groengele wasplaat is internationaal van betekenis voor het behoud van oude, soortenrijke graslanden. De soort wordt vooral bedreigd door het verdwijnen en de achteruitgang van deze leefgebieden als gevolg van landbouwintensivering, bemesting en veranderingen in het traditionele beheer.

De IUCN beoordeelde de soort in 2015 wereldwijd als 'kwetsbaar' (Vulnerable, VU), op grond van een geschatte en verwachte achteruitgang van de populatie en de kwaliteit en omvang van het leefgebied. De wereldwijde populatietrend wordt als afnemend beschouwd.

Taxonomie

De soort werd in 1923 door de Deense mycoloog Jakob Emanuel Lange oorspronkelijk beschreven als Camarophyllus citrinovirens. De beschrijving was gebaseerd op materiaal uit Denemarken, waar de soort werd gevonden in vegetaties met grassen en struikhei. In 1947 werd de soort door de Duitse mycoloog Julius Schäffer overgebracht naar het geslacht Hygrocybe.

De soortaanduiding citrinovirens is afgeleid van het Latijnse citrinus (citroengeel) en virens (groen), een verwijzing naar de karakteristieke groengele kleur van de vruchtlichamen.

Tot de taxonomische synoniemen behoren:

Traditioneel werd het geslacht Hygrocybe tot de familie Hygrophoraceae gerekend. Op grond van moleculair-fylogenetisch onderzoek werd de onderfamilie Hygrocyboideae in 2024 tot de zelfstandige familie Hygrocybaceae verheven. Deze familie omvat onder andere Hygrocybe, Gliophorus, Humidicutis en Neohygrocybe.