| Slanke roodpootvezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Inocybe exilis (Kuyper) Jacobsson & E. Larss. (2008) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Inocybe rufuloides var. exilis | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De slanke roodpootvezelkop (Inocybe exilis) is een paddenstoel uit de familie Inocybaceae. Het is een kleine, bruin gekleurde vezelkop met een slanke, naar de voet roodbruine steel en relatief grote, gladde sporen. De soort vormt ectomycorrhiza met onder andere kruipwilg (Salix repens) en groeit op humusarme zandgrond, met name in kruipwilgstruwelen.
De hoed heeft een diameter van 4–15 mm. Hij is aanvankelijk gewelfd en heeft geen of slechts een zwak ontwikkelde umbo. De kleur is donkerbruin, meestal met een roodbruine tint. Het oppervlak is vrij grof radiair vezelig. Jonge vruchtlichamen hebben een witachtige, vezelige tot spinnenwebachtige velipellis, waarvan de resten vooral rond het hoedcentrum zichtbaar blijven.
De lamellen staan tamelijk ver uiteen en zijn roodbruin tot donker roodbruin. De lamelsnede is witachtig en fijn vlokkig.
De steel is 14–45 mm lang en 0,6–3 mm dik. Hij is cilindrisch en ongeveer gelijkmatig dik. Het bovenste gedeelte is geelbruin tot oranjebruin, terwijl de steel naar beneden donkerder wordt en aan de voet een roodbruine kleur heeft. De steeltop is fijn bepoederd en het onderste gedeelte is overlangs vezelig.
De geur is zwak spermatisch of vrijwel onopvallend.
De sporen zijn glad, langwerpig tot enigszins amandelvormig en hebben een stompe tot licht papilvormige top. Bij heronderzoek van het holotype werden sporen van 11,0–15,1 × 6,1–8,0 µm gemeten, met gemiddelden van 12,5 × 7,0 µm. De lengte-breedteverhouding (Q-waarde) bedraagt 1,6–2,2, met een gemiddelde van 1,8.
De basidiën zijn overwegend viersporig, maar ook tweesporige basidiën komen voor.
De pleurocystidia meten 37–69 × 12–21 µm en zijn voornamelijk spoelvormig tot enigszins urnvormig. Daarnaast komen kortere, breed spoelvormige tot bijna knotsvormige cystiden voor. De cystidenwanden zijn aan de top maximaal 1,5–2 µm dik. De toppen dragen doorgaans kristallen. In een oplossing van 3% kaliumhydroxide (KOH) vertonen de wanden een geelachtig groene kleur.
De cheilocystidia komen in vorm en afmetingen overeen met de pleurocystidia. De paracystiden zijn min of meer knotsvormig. Caulocystidia komen uitsluitend voor nabij de top van de steel. Ze zijn onder meer cilindrisch, spoelvormig of enigszins urnvormig.
Voor een betrouwbare determinatie is microscopisch onderzoek noodzakelijk.
De slanke roodpootvezelkop is een ectomycorrhizavormende schimmel die in Nederland voornamelijk wordt geassocieerd met kruipwilg (Salix repens). De soort groeit op voedselarme, humusarme zandgrond, onder meer in duingebieden met kruipwilgstruwelen.
Het oorspronkelijke Nederlandse typemateriaal werd verzameld op kalkhoudend duinzand bij Marnewaard, in het Lauwersmeergebied, waar zowel kruipwilg als andere loofbomen aanwezig waren.
Bij een ruimere soortopvatting, waarin ook Inocybe rufobrunnea wordt opgenomen, omvat het bekende leefgebied tevens alpiene begroeiingen. Het typemateriaal van I. rufobrunnea werd verzameld in het Zwitserse Nationale Park op circa 2400 meter hoogte, in de nabijheid van achtster (Dryas octopetala). Andere onderzochte vondsten komen onder meer uit groeiplaatsen met wilgen, populieren, berken, eiken en dennen.
De vruchtlichamen verschijnen voornamelijk in de herfst, al zijn bij het ruimer opgevatte taxon ook vondsten uit het voorjaar bekend.
De soort werd in 1986 door de Nederlandse mycoloog Thom Kuyper oorspronkelijk beschreven als Inocybe rufuloides var. exilis. In 2008 verhieven Stig Jacobsson en Ellen Larsson het taxon tot soortniveau onder de naam Inocybe exilis.
In 2022 onderzochten Ditte Bandini, Bernd Oertel en Ursula Eberhardt het typemateriaal van I. exilis en vergeleken dit met het holotype van Inocybe rufobrunnea, een soort die in 1955 door de Zwitserse mycoloog Jules Favre was beschreven. Beide vertoonden sterke overeenkomsten in onder meer de sporenafmetingen, de vorm van de hymeniale cystiden, de hoedkleur, de aanwezigheid van een velipellis en de roodbruine kleur van het steelvlees.
De onderzoekers concludeerden op grond van deze overeenkomsten dat beide namen waarschijnlijk betrekking hebben op dezelfde soort. In dat geval heeft de naam Inocybe rufobrunnea J. Favre (1955) prioriteit boven Inocybe exilis. Het holotype van I. exilis kon genetisch worden onderzocht, maar dat van I. rufobrunnea niet, waardoor de voorgestelde synonymie gedeeltelijk op morfologische vergelijking berust.
Index Fungorum en de Nederlandse Verspreidingsatlas hanteren de naam Inocybe exilis nog als zelfstandige soortnaam.
De slanke roodpootvezelkop is bekend uit Europa. Onder de naam Inocybe exilis is de soort onder meer uit Nederland en Denemarken gerapporteerd. Bij de door Bandini en medewerkers voorgestelde synonymie met I. rufobrunnea omvat de verspreiding ook vondsten uit Duitsland, Oostenrijk en de Zwitserse Alpen. De onderzochte collecties laten zien dat de soort zowel in laaggelegen gebieden als in berggebieden voorkomt.
In Nederland is de slanke roodpootvezelkop uiterst zeldzaam aangetroffen. Het holotype werd op 24 oktober 1984 verzameld bij Marnewaard in het Lauwersmeergebied. Daarnaast vermeldt de Nederlandse Mycologische Vereniging een vondst op Voorne.
De soort is op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen uit 2008 ingedeeld in de categorie 'bedreigd'. De Verspreidingsatlas vermeldt op basis van gevalideerde waarnemingen over de periode 2004–2023 de zeldzaamheidsstatus 'verdwenen', wat inhoudt dat in deze evaluatieperiode geen waarnemingen zijn geregistreerd.