| Duinviltkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Duinviltkop | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Mallocybe heimii (Bon) Matheny & Esteve-Rav. (2019) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Inocybe heimii Bon | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De duinviltkop (Mallocybe heimii) is een paddenstoel uit de familie Inocybaceae. Het is een ectomycorrhizavormende soort van voedselarme tot matig voedselrijke zandgronden, die vooral bekend is van kustduinen en binnenduinen. In Nederland wordt de soort vooral gevonden in grijze duinen, waar hij voornamelijk met kruipwilg (Salix repens) is geassocieerd.
De duinviltkop is voor een viltkop een vrij forse soort. De hoed kan doorgaans 20–70 mm breed worden en bij forse exemplaren een diameter tot ongeveer 100 mm bereiken. De vruchtlichamen kunnen dicht opeen of min of meer gebundeld groeien.
De soort werd in 1984 door Marcel Bon beschreven als Inocybe heimii. In 2019 werd hij door P.B. Matheny en F. Esteve-Raventós overgebracht naar het geslacht Mallocybe. Mallocybe heimii is ook bij Species Fungorum de geaccepteerde naam, met Inocybe heimii als synoniem.
Moleculair onderzoek liet zien dat materiaal dat als Mallocybe heimii en Mallocybe arenaria was gedetermineerd in één sterk ondersteunde fylogenetische groep valt. In een latere revisie van het geslacht werd M. arenaria daarom als synoniem van M. heimii behandeld. Deze synonymie is echter nog niet in alle taxonomische databanken verwerkt.
De hoed is ongeveer 20–70 mm breed, bij forse exemplaren tot circa 100 mm. Hij is aanvankelijk bol tot convex met een ingerolde rand en wordt later vlak tot soms enigszins ingedrukt. Het oppervlak is droog, opvallend pluizig, wollig tot sterk viltig en kan vooral naar het centrum in kleine schubben openbreken. De kleur varieert van licht geelbruin en okerbruin tot olijfbruin. Jonge vruchtlichamen bezitten een duidelijke, witachtige tot okerkleurige cortina waarvan resten aan de hoedrand en later als een ringachtige zone op de steel kunnen achterblijven.
De lamellen zijn aangehecht tot enigszins bochtig aangehecht. Ze zijn aanvankelijk bleek geelbruin tot oker- of olijfbruin en worden bij rijping donkerder roest- tot tabaksbruin. De lamelsnede is meestal lichter en fijn gewimperd.
De steel is stevig en gewoonlijk ongeveer 20–60 mm lang en 5–12 mm dik. Hij is vezelig tot vezelig-schubbig en ongeveer gelijk gekleurd als de hoed of iets bleker. Op het bovenste deel bevindt zich meestal een duidelijke wollige tot vezelige ringzone, gevormd door resten van de cortina. De steel kan naar de basis enigszins versmallen.
De geur wordt meestal als aardachtig beschreven en kan soms enigszins aan honing herinneren. Bij sommige collecties is de geur slechts zwak ontwikkeld. De smaak wordt als mild beschreven.
De basidiosporen zijn glad, langwerpig elliptisch, cilindrisch tot duidelijk boonvormig (phaseoliform) en geelbruin tot bruin. In Nederlandse beschrijvingen worden afmetingen van 8–12(–15) × 4,0–6,0(–6,5) µm genoemd. In de Nederlandse zeereeppaddenstoelensleutel worden waarden van 9–12(–15) × 4,5–6(–7,5) µm en een Q-waarde van ongeveer 2 of hoger gegeven.
De Q-waarde blijkt echter enigszins tussen collecties te variëren. Hedlich & Vesper maten bij Duitse exemplaren sporen van 7,8–10,3 × 4,1–5,2 µm, met Q = (1,6–)1,8–2,1(–2,2) en een gemiddelde Q van 1,95. Het onderscheid met de gewone viltkop (Mallocybe dulcamara s.l.) kan daarom niet uitsluitend op de Q-waarde worden gebaseerd. De duinviltkop heeft gemiddeld relatief slanke, vaak bijna cilindrisch-boonvormige sporen, gecombineerd met een forser en sterker wollig vruchtlichaam en een duidelijkere cortina- of ringzone.
De basidiën zijn knotsvormig en overwegend viersporig. Bij een onderzochte Duitse collectie maten ze 27–44 × 8–10,5 µm en bezaten ze een gesp aan de basis.
De cheilocystiden staan op de lamelsnede en zijn dunwandig en vrij variabel van vorm. Ze zijn knotsvormig, cilindrisch, spoelvormig tot min of meer utriform en kunnen een basale gesp bezitten. Hedlich & Vesper maten 24–43 × 5–10 µm, terwijl in andere beschrijvingen afmetingen van ongeveer 35–50 × 10–15 µm worden genoemd. De cheilocystiden zijn vaak relatief kort en daardoor soms moeilijk te vinden.
Pleurocystiden ontbreken. Dit ontbreken van dikwandige pleurocystiden, samen met de gladde sporen en dunwandige cheilocystiden, is kenmerkend voor soorten van het geslacht Mallocybe.
Voor een zekere determinatie wordt microscopische controle aanbevolen.
De duinviltkop is een ectomycorrhizavormende soort met een duidelijke voorkeur voor zandige bodems. Hij groeit zowel in kustduinen als op binnenduinen en andere open, zandige standplaatsen.
In Nederland is de soort vooral bekend uit grijze duinen en vormt hij voornamelijk ectomycorrhiza met kruipwilg (Salix repens). De Nederlandse Verspreidingsatlas classificeert de soort als ectomycorrhizavormend, voornamelijk groeiend op humusarm zand in associatie met loofbomen en -struiken.
De waardplanten zijn echter niet tot wilgen beperkt. In mediterrane kustduinen is ectomycorrhiza van M. heimii moleculair bevestigd met Aleppoden (Pinus halepensis) en Cistus creticus. In Hongarije is daarnaast ectomycorrhiza beschreven met Fumana procumbens, eveneens een soort uit de Cistaceae. Ook uit Europese duingebieden zijn vondsten bij verschillende soorten den bekend.
De goed gedocumenteerde verspreiding van de duinviltkop ligt voornamelijk in Europa. De oorspronkelijke beschrijving is gebaseerd op Frans materiaal dat groeide tussen helm aan de rand van een struweel met duindoorn. De soort is verder onder meer aangetoond in Nederland, Duitsland, Spanje, Italië, Hongarije en Griekenland.
In Nederland is de duinviltkop 'zeer zeldzaam'. De gevalideerde Nederlandse waarnemingen liggen vooral in het kustgebied. Onder meer van Ameland zijn moleculair onderzochte collecties bekend.