Vals poedersteeltje

Vals poedersteeltje
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Inocybaceae
Geslacht:Inocybe
Soort
Inocybe jacobi
Kühner (1956)
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

Het vals poedersteeltje (Inocybe jacobi) is een paddenstoel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen, voornamelijk dennen (Pinus), berken (Betula) en sparren (Picea). In Nederland wordt hij vooral aangetroffen op droge, zure, humusarme zandgrond, vaak bij jonge bomen.

De soort werd in 1956 beschreven door de Franse mycoloog Robert Kühner. Hij behoort tot de sectie Petiginosae, een groep kleine vezelkoppen met knobbelige sporen en een over de gehele lengte berijpte steel.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed heeft een diameter van 6–25 mm. Aanvankelijk is hij kegelvormig tot gewelfd, later vlakgewelfd tot uitgespreid, doorgaans met een stompe umbo. De hoedrand is aanvankelijk naar binnen gebogen en kan later golvend worden. Het oppervlak is droog, aanvankelijk betrekkelijk glad en bij oudere exemplaren fijnvezelig tot fijnviltig. De kleur is warm okerbruin, meestal donkerder in het centrum en lichter naar de rand. De hoed is hygrofaan en verbleekt bij uitdroging tot geelbruin. Bij jonge vruchtlichamen kan een dunne, witte laag van de velipellis aanwezig zijn, die spoedig verdwijnt.

Lamellen

De lamellen staan matig dicht opeen, met ongeveer 30–40 volledige lamellen die de steel bereiken. Daartussen bevinden zich kortere lamellen. Ze zijn aangehecht tot bijna vrij en aanvankelijk licht beige tot bleek okerkleurig. Bij rijping worden ze okerbruin tot bruin. De lamelsnede is fijnvlokkig en ongeveer gelijk gekleurd als de lamelvlakken.

Steel

De steel is 10–45 mm lang en 1–3 mm dik. Hij is min of meer cilindrisch, vaak enigszins gebogen, en heeft een licht verdikte, bleke basis. De kleur is aanvankelijk licht beige met een okerbruine tint en wordt later sterker okerbruin. Het oppervlak is over de gehele lengte fijn berijpt door de aanwezigheid van caulocystiden. De steel is aanvankelijk gevuld en kan later gedeeltelijk hol worden.

Vlees en geur

Het vlees is bleek okerbruin, met een lichtere kleur in de steelbasis. Een duidelijke, kenmerkende geur ontbreekt.

Microscopische kenmerken

De basidiosporen zijn hoekig tot knobbelig, met duidelijk uitstekende, afgeronde knobbels. Ze meten (6,8–)7,9–8,4(–12,2) × (4,9–)5,4–5,8(–7,1) µm, met een gemiddelde van ongeveer 8,3 × 5,6 µm. Het gemiddelde sporenquotiënt (Q) bedraagt 1,47. De sporen zijn licht okerbruin.

De basidiën zijn knotsvormig tot bijna cilindrisch en meten ongeveer 25–31 × 8–10 µm. Ze zijn overwegend viersporig, maar soms komen tweesporige basidiën voor.

De pleurocystiden meten ongeveer 48–69 × 10–22 µm. Ze zijn spoelvormig tot enigszins flesvormig, vaak met een korte steelvormige basis, en hebben meestal kristallen aan de top. De wanden zijn verdikt, tot ongeveer 3,5 µm, en kleuren geel in een oplossing van kaliumhydroxide (KOH).

De cheilocystiden zijn vergelijkbaar van vorm, maar gemiddeld korter. Ze meten ongeveer 40–55 × 10–16 µm. Daartussen komen weinig dunwandige, peervormige paracystiden voor.

De caulocystiden zijn over de gehele lengte van de steel aanwezig, maar worden naar de basis toe minder talrijk. Ze meten ongeveer 38–63 × 9–18 µm en lijken in vorm op de pleurocystiden. Hun wanden zijn tot ongeveer 3 µm dik.

De hoedhuid is een cutis van min of meer evenwijdig verlopende hyfen. Gespen komen veelvuldig voor.

Ecologie

Het vals poedersteeltje is een ectomycorrhizavormende schimmel. In Nederland groeit de soort vooral bij dennen en berken op droge, zure en humusarme zandgrond. De vruchtlichamen verschijnen doorgaans op de bodem, soms tussen mossen of korstmossen.

De soort werd oorspronkelijk beschreven uit een sparrenbos in Frankrijk, waar de vruchtlichamen tussen mossen en afgevallen naalden groeiden. Moleculair bevestigde vondsten uit Scandinavië zijn onder meer afkomstig van zandige en grindrijke terreinen met grove den (Pinus sylvestris). Ook zijn vondsten bekend uit vochtiger, gemengde naaldbossen.

Verspreiding

Het vals poedersteeltje komt voor in Europa, waaronder Frankrijk, Noorwegen en Zweden. Moleculaire gegevens wijzen daarnaast op aanwezigheid in Canada en Japan, waar overeenkomstige DNA-sequenties zijn aangetroffen in bodemmonsters en ectomycorrhiza van dennen.

In Nederland wordt de soort volgens de NDFF Verspreidingsatlas als 'zeldzaam' beschouwd. Op de Rode Lijst van paddenstoelen uit 2008 heeft hij de categorie thans niet bedreigd (TNB).

De bekende verspreidingsgegevens moeten met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Moleculair onderzoek uit 2026 heeft aangetoond dat verschillende collecties die eerder als Inocybe jacobi waren gedetermineerd, tot andere, nauw verwante soorten behoren.

Vergelijkbare soorten

Het vals poedersteeltje lijkt op verschillende andere kleine vezelkoppen uit de sectie Petiginosae. Door de sterke overeenkomst in uiterlijke en microscopische kenmerken is betrouwbare determinatie niet altijd eenvoudig.

Taxonomie

Inocybe jacobi werd in 1956 door Robert Kühner beschreven in het Bulletin trimestriel de la Société mycologique de France. De soortnaam verwijst naar de Deense mycoloog Jakob Emanuel Lange. Eerder was het taxon door Lange onder de naam Inocybe rufoalba geïnterpreteerd. Deze naam wordt in zijn eigenlijke betekenis tegenwoordig als een synoniem van Inocybe petiginosa beschouwd en is dus geen taxonomisch synoniem van I. jacobi.

Een moleculair-fylogenetisch onderzoek uit 2026, waarbij ook DNA van het lectotype werd onderzocht, leidde tot een nauwkeurigere afbakening van de soort. Daaruit bleek dat verschillende eerder als I. jacobi gedetermineerde collecties in werkelijkheid tot I. duploparvula behoren. De auteurs concludeerden dat I. jacobi in de striktere, herziene betekenis waarschijnlijk minder algemeen is dan voorheen werd aangenomen.