| Bleke spleetvezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bleke spleetvezelkop | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pseudosperma obsoletum (Quadr.) Valade (2020) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Inocybe obsoleta | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De bleke spleetvezelkop (Pseudosperma obsoletum) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen en komt vooral voor in loofbossen, parken en plantsoenen. Kenmerkend zijn de doorgaans bleke, witachtige tot beige of okerkleurige hoed, vaak met een opvallend wit velum, de meestal zwakke geur en de relatief korte, brede, gladde sporen.
De soort werd oorspronkelijk door Henri Romagnesi beschreven onder de naam Inocybe obsoleta, onder meer in 1953 en 1958. Deze naam werd destijds echter niet geldig gepubliceerd, omdat niet aan de vereisten voor typificatie was voldaan. In 1990 publiceerde Ludovico Quadraccia, in een werk met D. Lunghini, de geldige naam Inocybe rimosa var. obsoleta, waarbij materiaal van Romagnesi als type werd aangewezen.
In 2014 bracht François Valade het taxon op soortniveau onder de naam Inocybe obsoleta (Quadr.) Valade. In 2020 werd het overgebracht naar het geslacht Pseudosperma, met de combinatie Pseudosperma obsoletum (Quadr.) Valade.
De soort werd vroeger door sommige auteurs beschouwd als onderdeel van Inocybe rimosa. Moleculair onderzoek heeft echter aanwijzingen geleverd dat P. obsoletum en P. rimosum afzonderlijke taxa vertegenwoordigen.
De hoed bereikt een diameter van ongeveer 60 mm. Aanvankelijk is deze kegelvormig tot klokvormig, later gewelfd tot uitgespreid, meestal met een duidelijke centrale umbo. Het oppervlak is droog en kan vrijwel glad, zijdeachtig of fijn radiaal vezelig zijn. Naarmate de hoed zich ontwikkelt, kunnen de vezels uiteenwijken en ontstaan radiale barstjes of spleten.
De kleur varieert van witachtig en crème tot beige of licht okerbruin. Het centrum is doorgaans donkerder dan de rand. Vooral jonge vruchtlichamen kunnen bedekt zijn met een opvallende, witte, soms viltige velumlaag. De vruchtlichamen zijn vaak tamelijk bros.
De lamellen staan vrij dicht opeen en zijn aangehecht tot bochtig aangehecht, soms bijna vrij. Aanvankelijk zijn ze witachtig, lichtgrijs of crème, later verkleuren ze via okerachtige tinten naar bruin. In sommige beschrijvingen worden zwakke olijfkleurige nuances vermeld, terwijl deze in andere collecties ontbreken. De lamelsnede is vaak lichter en fijn witvlokkig.
De steel is ongeveer 30–100 mm lang en 3–10 mm dik. Hij is cilindrisch, soms iets verbreed of knotsvormig aan de basis, maar bezit doorgaans geen scherp gerande knol. Het oppervlak is witachtig tot crème, met fijne overlangse vezels en vaak een zijdeachtige glans. De top kan fijn berijpt of vlokkig zijn. Bij veroudering of aanraking kan de steel beige tot okerbruin verkleuren. Een ring ontbreekt.
Het vlees is witachtig, in de steel soms licht okerkleurig, en betrekkelijk bros. De geur is meestal zeer zwak of vrijwel afwezig. Soms wordt bij beschadiging een lichte meelachtige geur waargenomen. Een uitgesproken spermatische geur, zoals bij veel andere vezelkoppen, ontbreekt doorgaans.
De sporenprint is bruin tot olijfbruin.
De basidiosporen zijn glad, ellipsoïdaal tot breed ellipsoïdaal en soms enigszins boonvormig (faseoliform). Ze zijn geelbruin in microscopische preparaten. De afmetingen liggen doorgaans rond 9–12,5 × 5–7 µm, met enige variatie tussen collecties. Het gemiddelde lengte-breedtequotiënt (Q-getal) ligt rond 1,6.
De basidia zijn knotsvormig en doorgaans viersporig. In een beschreven Mexicaanse collectie maten zij 35–40 × 10–11,8 µm. Aan de basis kunnen gespen aanwezig zijn.
De cheilocystidia zijn dunwandig en variabel van vorm, meestal knotsvormig of cilindrisch, soms flesvormig of met een versmalde, iets verlengde top. Ze kunnen ongeveer 20–70 × 8–20 µm meten. Dikwandige cystiden met kristallen aan de top ontbreken. Pleurocystidia zijn afwezig. Aan de bovenkant van de steel kunnen caulocystidia voorkomen.
De hoedhuid is een cutis, bestaande uit min of meer evenwijdig liggende, cilindrische hyfen. Deze zijn hyalien tot licht gepigmenteerd en kunnen plaatselijk geïncrusteerd zijn. In beschreven collecties bedraagt de hyfenbreedte ongeveer 5–10 µm.
De bleke spleetvezelkop is een ectomycorrhizavormende soort die vooral met loofbomen wordt geassocieerd. Vindplaatsen zijn onder meer beschreven bij beuk (Fagus sylvatica), eik (Quercus) en populier (Populus). De vruchtlichamen groeien op de grond, in loofbossen, gemengde bossen, parken, plantsoenen en langs bospaden.
De Nederlandse Verspreidingsatlas vermeldt parken en plantsoenen als karakteristiek biotoop, met humusarme klei als kenmerkend bodemsubstraat. De soort is ook gemeld uit gemengde bossen met naaldbomen. De vruchtlichamen verschijnen vooral in de zomer en de herfst.
De bleke spleetvezelkop behoort tot een groep soorten die macroscopisch sterk op elkaar kunnen lijken.
De geelbruine spleetvezelkop (Pseudosperma rimosum) heeft doorgaans een meer uitgesproken radiaal vezelige tot gespleten hoed, vaak met geligere tinten. De lamellen vertonen dikwijls olijfkleurige nuances en de geur is meestal spermatisch. Bovendien kunnen de sporen gemiddeld groter zijn dan bij de bleke spleetvezelkop. Deze verschillen zijn echter niet bij alle exemplaren even duidelijk.
Ook Pseudosperma flavellum kan oppervlakkig gelijkenis vertonen, maar heeft gewoonlijk duidelijker gelige hoedtinten. Soorten uit deze groep kunnen niet altijd op basis van uitsluitend uiterlijke kenmerken worden onderscheiden.
Moleculair onderzoek heeft bovendien aangetoond dat sommige als P. obsoletum of Inocybe obsoleta geregistreerde DNA-sequenties behoren tot Pseudosperma pseudoniveivelatum. Dit onderstreept dat collecties met overeenkomstige uiterlijke kenmerken niet noodzakelijk tot dezelfde soort behoren.
Voor een betrouwbare determinatie zijn onderzoek van de sporen, de cheilocystidia en de overige microscopische kenmerken van belang. Bij twijfel kan DNA-onderzoek nodig zijn.
De bleke spleetvezelkop is bekend uit verschillende delen van Europa. Daarnaast zijn onder de namen Inocybe obsoleta en Pseudosperma obsoletum vondsten uit Noord-Amerika gepubliceerd, waaronder collecties uit de Verenigde Staten en Mexico. Bij de interpretatie van oudere verspreidingsgegevens moet rekening worden gehouden met mogelijke verwarring met nauw verwante soorten.
In Nederland wordt de bleke spleetvezelkop als 'zeldzaam' beschouwd. Volgens de NMV Verspreidingsatlas is de soort vooral verbonden met loofbomen in parken en plantsoenen op humusarme klei. De atlas vermeldt op basis van de Rode Lijst 2008 de afgeleide categorie thans niet bedreigd.