Voorjaarsvezelkop

Voorjaarsvezelkop
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Inocybaceae
Geslacht:Inocybe
Soort
Inocybe queletii
Konrad (1929)
Synoniemen

Inocybe eutheles var. queletii

Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De voorjaarsvezelkop (Inocybe queletii) is een paddenstoel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met naaldbomen, waaronder dennen (Pinus), sparren (Picea) en zilversparren (Abies). De vruchtlichamen verschijnen voornamelijk in mei en juni.

De soort werd in 1929 wetenschappelijk beschreven door de Zwitserse mycoloog Paul Konrad. De soortaanduiding queletii verwijst naar de Franse mycoloog Lucien Quélet.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed heeft een diameter van 3 tot 6 cm. Aanvankelijk is deze kegelvormig tot klokvormig, later gewelfd tot uitgespreid. Meestal ontbreekt een duidelijke centrale bult, hoewel soms een lage, brede umbo aanwezig is. Jonge exemplaren zijn witachtig tot lichtcrème van kleur door een goed ontwikkelde, witachtige velipellis. Naarmate het vruchtlichaam ouder wordt, verkleurt de hoed naar ivoorkleurig, okergeel of lichtbruin. Het centrum is betrekkelijk glad en zijdeachtig, terwijl het oppervlak naar de rand toe radiair vezelig en soms enigszins gespleten is. De hoedrand is aanvankelijk ingerold en kan resten van het velum vertonen.

Lamellen

De lamellen staan matig dicht opeen en zijn smal aan de steel aangehecht. Ze zijn aanvankelijk witachtig en verkleuren bij rijping naar geelbruin tot licht kleibruin. De lamelsnede is witachtig en fijn gewimperd.

Steel

De steel is 4 tot 7 cm lang en 6 tot 12 mm dik. Hij is cilindrisch, stevig en aan de basis vaak enigszins verdikt tot bijna knolvormig. De kleur is witachtig tot lichtcrème. Het bovenste gedeelte, tot ongeveer een derde van de steellengte, is fijn bepoederd. Daaronder is de steel zwak vezelig. Bij jonge vruchtlichamen is een cortina (gordijn) aanwezig, waarvan bij oudere exemplaren doorgaans geen resten op de steel achterblijven.

Vlees en geur

Het vlees is witachtig en vertoont geen roze verkleuring. De geur wordt beschreven als spermatisch.

Microscopische kenmerken

De basidiosporen zijn glad, ellipsoïde tot enigszins amandelvormig, met een soms zwak kegelvormige of stompe top. Ze meten (8,0–)8,5–11,5(–12,0) × (5,0–)5,5–6,5(–7,0) µm. De gemiddelde sporenlengte bedraagt 8,9–10,8 µm en de gemiddelde breedte 5,5–6,3 µm. Het lengte-breedtequotiënt (Q) bedraagt doorgaans 1,5–1,9.

De basidien zijn viersporig en meten 26–34 × 9–12 µm. De pleurocystiden zijn (50–)54–69(–76) × 14–20(–21) µm groot. Ze zijn spoelvormig tot enigszins flesvormig, soms slank knotsvormig, met kleurloze, verdikte wanden die tot ongeveer 3 µm dik kunnen zijn. Aan de top bevinden zich vaak kristallen. De cheilocystiden zijn vergelijkbaar met de pleurocystiden. Daarnaast komen talrijke dunwandige, kleurloze, knotsvormige paracystiden voor.

De caulocystiden bevinden zich voornamelijk op het bovenste derde deel van de steel en lijken op de cheilocystiden. Daaronder bevindt zich een overgangszone met cystideachtige haren.

Ecologie

De voorjaarsvezelkop is een ectomycorrhizavormende soort die samenleeft met naaldbomen. In Midden-Europa is hij onder meer bekend van sparren, zilversparren en dennen. De soort wordt aangetroffen in naaldbossen, vaak op kalkhoudende bodems. In Nederland is hij beschreven van kalkrijke leem bij dennen.

De vruchtlichamen verschijnen vooral in het voorjaar en de vroege zomer, doorgaans in mei en juni. Daarmee wijkt de soort af van veel andere vezelkoppen, die vooral in de nazomer en de herfst vruchtlichamen vormen.

Verspreiding

De voorjaarsvezelkop komt voor in Europa. Volgens Kuyper (1986) is de soort betrekkelijk algemeen in delen van Midden-Europa, waaronder de Jura, maar zeer zeldzaam in Noordwest-Europa.

In Nederland is de soort uiterst zeldzaam. Kuyper vermeldde een vondst op 11 mei 1985 bij Dorst in Noord-Brabant. In het Overzicht van de Paddestoelen in Nederland (1995) werd deze plaats als enige Nederlandse vindplaats genoemd. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas is de soort in de evaluatieperiode 2004–2023 niet meer gemeld en wordt hij daarom in de zeldzaamheidsindeling als verdwenen beschouwd. Op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 staat de voorjaarsvezelkop als kwetsbaar vermeld.

Gelijkende soorten

De voorjaarsvezelkop vertoont uiterlijke overeenkomsten met de witte heidevezelkop (Inocybe sambucina). Beide soorten kunnen een bleke, vezelige hoed hebben. De witte heidevezelkop heeft echter gemiddeld smallere, meer langwerpige sporen en groeit vooral bij dennen op voedselarme, zure zandgrond. De voorjaarsvezelkop heeft relatief bredere, ellipsoïde tot amandelvormige sporen en wordt vaker op kalkhoudende bodem aangetroffen.

Voor een betrouwbare determinatie is microscopisch onderzoek van de sporen en cystiden noodzakelijk.

Taxonomie

De wetenschappelijke naam Inocybe queletii werd in 1929 door Paul Konrad gepubliceerd in het Bulletin trimestriel de la Société mycologique de France. De naam wordt door Index Fungorum als geaccepteerde naam vermeld.

De soort is ook beschreven onder de naam Inocybe eutheles var. queletii (Konrad) R. Heim.

Zie ook