
Japanofilie is een sterke interesse in de Japanse cultuur, de geschiedenis, het Japanse volk en alles wat met Japan te maken heeft. In het Japans wordt een Japanofiel aangeduid met de term shinnichi (親日; pro-Japans).
De term Japanofiel is pas vrij laat in de 19e eeuw ontstaan. Het is een samenstelling van Japan en het Griekse φίλος [fílos] "geliefde" of "vriend". Een intense fascinatie voor Japan bestond echter al lang voordat de term werd geïntroduceerd. Zo gebruikte de Franse kunstcriticus Philippe Burty in 1872 de term Japonisme om de toen nieuwe Japanofiele kunststroming aan te duiden. Toentertijd was Japan grotendeels afgesloten van de rest van de wereld door een beleid van zelfisolatie, de zogenaamde sakoku-periode. Deze periode duurde van 1639 tot en met 1853. De Nederlanders hadden een relatief goede band met Japan tijdens de sakoku-periode, want zij waren de enigen die handel konden drijven met de Japanners op het eiland Dejima. Carl Peter Thunberg en Philipp Franz von Siebold hielpen Japanse flora, kunstwerken en andere voorwerpen in Europa te introduceren, wat de belangstelling in Japan sterk deed toenemen. Siebold nam 700 plantensoorten uit Japan mee naar Nederland. Deze kweekte hij op in zijn tuin in Leiden. Lafcadio Hearn (1850–1904), een Iers-Griekse auteur, die in de negentiende eeuw in Japan ging wonen, werd door de Amerikaanse uitgeverij Charles E. Tuttle Company, in verschillende voorwoorden van zijn boeken, omschreven als "een overtuigd Japanofiel".
Gedurende het eerste decennium van de 20e eeuw prezen Britse auteurs Japan. In 1904 schreef Beatrice Webb bijvoorbeeld dat Japan een "rijzende ster van verlichting en menselijke meesterschap" was, en ze prees het "innovatieve collectivisme" van de Japanners en het opzettelijk "vreemde" en ruimdenkende karakter van hun "verlichte professionele elite". H.G. Wells verwees in zijn boek A Modern Utopia (Een modern Utopia) naar deze elite als "samoerai". Deze bewondering werd deels ingegeven door de achteruitgang van de Britse industriële dominantie en de opkomst van Japan en Duitsland in vergelijking daarmee. Duitsland werd gezien als een zeer nabije bedreiging, maar Japan werd beschouwd als een bondgenoot. Na de publicatie in 1906 van Alfred Steads boek "Great Japan: A Study of National Efficiency" (Groot Japan : Een studie naar nationale efficiëntie) zochten de Britten naar lessen in efficiëntie in Japan. Deze interesse eindigde met de Tweede Wereldoorlog.
De slangterm wapanese (een samenvoeging van het Engelse white of wannabe en Japanese) verscheen in het eerste decennium van de 21e eeuw als een pejoratieve term voor een niet-Japanse persoon die ongezond geobsedeerd is door de moderne Japanse populaire cultuur, met name: anime, manga, visuele romans, light novels en Pokémon. Het werd in 2003 toegevoegd aan de website van Urban Dictionary, en werd veelvuldig gebruikt op de site 4chan.
De term weeaboo (vaak afgekort als weeb) verscheen voor het eerst in een webstrip van The Perry Bible Fellowship uit 2005, zonder verwijzing naar de Japanse cultuur. In hetzelfde jaar voegde 4chan-beheerder Christopher Poole een filter toe aan de site dat de term wapanese verving door weeaboo, waarna gebruikers zelf de nieuwe term in plaats van wapanese begonnen te gebruiken. Hoewel oorspronkelijk denigrerend bedoeld, is de term 'weeaboo' door sommigen geherdefinieerd en wordt de term door fans van Japanse media als een geuzennaam gebruikt om zichzelf op een ironische of zelfspotachtige manier aan te duiden.
In een blogpost op Anime News Network schreef oprichter Justin Sevakis dat er een verschil is tussen een weeaboo en iemand die simpelweg de Japanse cultuur waardeert. Hij stelde dat er niets mis is met het houden van de Japanse cultuur, maar dat iemand een weeaboo wordt wanneer hij of zij zich onbeschoft, onvolwassen en onwetend gedraagt over de cultuur waarvan hij of zij claimt te houden. Matt Jardin van de Alaska Dispatch beschreef weeaboo's als mensen die blindelings de voorkeur geven aan alles uit Japan en neerkijken op al het andere, ongeacht de waarde ervan.
Vincent van Gogh ontwikkelde tussen 1880 en 1889 een sterke fascinatie voor Japanse houtsneden, een interesse die ontstond toen hij in Antwerpen en later in Parijs Japanse prenten begon te verzamelen. Samen met zijn broer Theo van Gogh bouwde hij een omvangrijke collectie op van dergelijke prenten. Aanvankelijk waren ze voor hem vooral curiositeiten, maar al snel ging hij ze beschouwen als belangrijke artistieke voorbeelden. Van Gogh bewonderde hun ongebruikelijke composities, de platte kleurvlakken, krachtige contourlijnen en de aandacht voor alledaagse onderwerpen en details uit de natuur. Deze kenmerken beïnvloedden zijn manier van kijken en speelden een belangrijke rol in zijn zoektocht naar een moderne schilderkunst.
De invloed van de Japanse prentkunst werd zichtbaar in Van Goghs eigen werk. Hij experimenteerde met composities met lage of ontbrekende horizonlijnen, sterke kleurcontrasten en een grotere nadruk op het platte beeldvlak. Hoewel hij aanvankelijk enkele prenten kopieerde, verwerkte hij de Japanse invloeden uiteindelijk op een persoonlijke manier in zijn schilderstijl. Toen hij in 1888 naar Arles verhuisde, hoopte hij daar een landschap en licht te vinden die hem deden denken aan de helderheid en kleurwerking van Japanse prenten. Zelfs zonder zijn prentencollectie bleef deze “Japanse manier van kijken” een blijvende inspiratiebron in zijn kunst.
| |
| Vincent stelt uitdrukkelijk in deze passage dat zijn werk is beïnvloed door de Japanse prenten die hij en Theo hebben verzameld. | |
Vincent van Gogh heeft verschillende tekeningen en schilderijen vervaardigd die zijn gebaseerd op Japanse houtsnedes, bekend als: ukiyo-e.
|