Jasiusvlinder

Jasiusvlinder
IUCN-status: Niet bedreigd (2024)
Jasiusvlinder (Charaxes jasius)
(Italië)
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse:Insecta (Insecten)
Orde:Lepidoptera (Vlinders)
Familie:Nymphalidae (Vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders)
Onderfamilie:Charaxinae
Geslacht:Charaxes
Soort
Charaxes jasius
(Linnaeus, 1767)
Originele combinatie
Papilio jasius
Onderzijde
(Italië)
Synoniemen
  • Papilio jason (Linnaeus, 1767)
  • Nymphalis jasius (Linnaeus, 1767)
  • Caraxes jasius jasius (Linnaeus, 1767)
  • Charaxes jasius europaeus Verity, 1916
  • Charaxes europaeus Verity, 1916
  • Caraxes jasius var. major (Oberthür, 1922)
  • Charaxes major Oberthür, 1922
  • Charaxes aesonius Stoneham, 1964
  • Charaxes pagenstecheri Schultze, 1913
  • Charaxes pauciventata De Castro, 1950
  • Papilio rhea Hübner, 1799
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Jasiusvlinder op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Insecten

De Jasiusvlinder of Pasja (Charaxes jasius) is een Mediterraanse vlinder uit de familie van de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders (Nymphalidae). Het is de enige soort van de onderfamilie Charaxinae dat in Europa voorkomt. De afsplitsing tussen deze Middellandse-Zeesoort en zijn Afrikaanse verwanten dateert van circa 2 miljoen jaar geleden.

Met een spanwijdte bij het mannetje rond 70 mm en het vrouwtje van 75-90 mm is het de grootste dagvlinder van Europa.

Beschrijving

Ontwikkelingsstadia

Gladde, bolvormige, gele eitjes van 2 mm doorsnee worden afzonderlijk afgezet op de bovenkant van het blad van de aardbeiboom. De slakachtige rupsen rusten op de bovenzijde van hetzelfde blad. Ze worden uiteindelijk 60 mm lang, en zijn bedauwd groen met op de rug fijne lichte puntjes en tot drie oogvlekken met een blauw accent. Bij jonge rupsen lopen uit de achterhoeken van het lijf twee naar achter en buiten stekende roodpaars tot bruine hoorntjes vanuit een geelwitte rand, die verdwijnen bij het groter worden, maar de hoekige achterkant blijft herkenbaar. De kop heeft aan de achterkant vier schuin naar achter gerichte roodpaarse tot bruine hoorntjes, en aan de voorzijde een paarse geelwit gezoomde rand. De pop is bedauwd groen en hangt meestal aan de onderkant van de bladsteel.

Imago

De bovenkant van de vleugels van deze vlinder is zwartbruin, met aan de buitenrand een band oranje vlekken die op de achtervleugel lichter zijn en met zwart zijn afgezet. De achterhoek van de achtervleugel heeft twee korte sporen. Op de voorvleugel is er nog een tweede band kleinere bruinoranje vlekken. De onderkant van de vleugels is bij het lijf een bont mozaïekpatroon van vosbruine, zwartgroene, witomrande streepvormige vlekken, en verder naar buiten een witte band, en achtereenvolgens brede banden van vosbruine, olijfgrijze en gele vlekken (oranje in de voorvleugel), een smalle olijfgroene band en op de achtervleugel een witte lijn. De brede olijfgrijze vlekken in de achterhoek van de achtervleugel bevatten ook blauwe oogvlekken en de buitenste vlek is ook aan de binnenkant omzoomd met geel. De bovenkant van het lijf is zwartbruin en de tekening van vosbruine, olijfgrijze en witte naar achter en onder lopende strepen op de zijkant en onderkant is een voortzetting van de onderkant van de vleugels. In rust zijn de vleugels samengeklapt zodat de mooie onderzijde goed te zien is.

Leefwijze en -gebied

De soort is verspreid over het Middellandse Zeegebied, Noord-Afrika, Canarische Eilanden en de Madeira-archipel. De soort komt voor in warm, droog tot halfdroog olijf- en pistachestruweel en kurkeikenbossen van de mediterrane maquis, garigue en warme bosranden, met name nabij de kust. De waardplanten van de rupsen zijn hoofdzakelijk de aardbeiboom (Arbutus unido) en pistachesoorten (Pistacia), hoewel de soort ook is aangetroffen op sinaasappel, mandarijn, perzik, abrikoos, laurier, cherimoya, vuilboom en Osyris quadripartita. De vlinders voeden zich met sappen uit rottend fruit, boomsap en zoogdieruitwerpselen.

De vlinder vliegt in twee generaties per jaar van april tot en met juni en van eind-juli tot oktober.

Taxonomie

De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd als Papilio jasius door Carl Linnaeus in Systema Naturae XII (1767). De Jasiusvlinder is de typesoort van het geslacht Charaxes, met als typelocatie Barbarije in Noordwest-Afrika.

Voorheen werden er zes ondersoorten toegeschreven aan Charaxes jasius, één in het Middenlandse Zeegebied en een vijftal andere ondersoorten verspreid over het Afrikaanse continent. Op basis van moleculair en fylogenetisch onderzoek is vastgesteld dat de mediterraanse vlinder geldt als een stabiel, monotypisch soort. Volgens de huidige taxonomische indeling heeft de soort dan ook geen erkende ondersoorten meer. De Afrotropisch verwante soorten worden tegenwoordig samen met C. jasius in de zogenaamde jasius-groep binnen het geslacht Charaxes geplaatst. Hoogstwaarschijnlijk vond rond 2 miljoen jaar geleden (Plioceen) de afsplitsing plaats binnen de laatst-gemeenschappelijke voorouder tussen deze mediterrane soort en de nauwst verwante hedendaagse Afrotropische soorten in Afrika.

Voorheen

(als ondersoort van Charaxes jasius)

Huidig taxon Taxonauteur Leefgebied
C. j. jasius Charaxes jasius (Linnaeus, 1767) Middellandse Zeegebied (Z-Europa, N-Afrika)
C. j. brunnescens Charaxes saturnus brunnescens (Poulton, 1926) Midden-Afrika, regenwoud: Gabon, N-Angola, Centraal-Afrikaanse Republiek, ZW-DR Congo
C. j. epijasius Charaxes epijasius (Reiche, 1850) Sahel: Senegal, Gambia, Guinee, Sierra Leone, Liberia, Ivoorkust, Ghana, Togo, Benin, Nigeria, Niger, Kameroen, Zuid-Soedan, N-Oeganda, Ethiopië, Somalië, NW-Kenia
C. j. harrisoni Charaxes saturnus harrisoni (Sharpe, 1904) O-Afrika: Kenia, Tanzania, ZW-Oeganda
C. j. pagenstecheri Charaxes saturnus pagenstecheri (Poulton, 1926) Hoorn van Afrika: Z-Ethiopië, Somalië
C. j. saturnus Charaxes saturnus saturnus (Butler, 1866) Zuidoostelijk Afrika: NO-Kenia, Tanzania, Malawi, DR Congo, Angola, Zambia, Mozambique, Zimbabwe, Botswana, Namibië, Zuid-Afrika, Swaziland

Genetica

In tegenstelling tot de meeste andere vlinderfamilies waar het aantal chromosomen niet of weinig van elkaar verschilt (vaak n=31), is de variatie binnen de Charaxinae groot (n=13–58). Het haploïde chromosoomaantal bij de Jasiusvlinder is 25, zowel bij vrouwtjes als mannetjes.

Beeldgalerij