Hij werd geboren binnen het gezin van bediende Theodorus Hendrikus Berghout en Janna Gerritje Ingenhoest. Hijzelf huwde Anthonia Sophia Verbiest in 1902. Uit het huwelijk kwamen voort:
Hij stierf aan het Eikenplein in Amsterdam en werd begraven op kerkhof Jonkerbosch te Nijmegen. Een interview in De Telegraaf van 27 oktober1958 leverde de volgende citaat op:
"Ik deugde eigenlijk nergens voor; het werd de Muziekschool".
Muziek
Hij kreeg zijn muzikale opleiding van Friedrich Gernsheim (piano, muziektheorie, contrapunt en compositieleer), Ferdinand Blumentritt (instrumentatie) en Willy Hess (viool). Alhoewel hij een aantal concerten heeft gegevens lag de nadruk toch op het zelf lesgeven in bovengenoemde vakken, eerst in Rotterdam, vervolgens in Velp. Van zijn hand verscheen talloze werken, een groot deel is daarbij niet uitgegeven. De Arnhemsche Courant meldde in juli 1941 dat hij net zijn 500e compositie had voltooid.
Feestcantate ter viering van het eind van de Eerste Wereldoorlog, première in Den Haag, waarbij de componist leiding gaf aan 3000 zangers en orkest (uitvoering op het Malieveld in 1919)
Vioolconcert nr 1 (1922, opgedragen aan Theo Berghout)
Nederland-Hongarije (1927), een variatie op beide volksliederen ten bate van de kindertransporten tussen beide landen
Stromingen (opera, 1938) naar een libretto van S.Th. Simon
Avondmuziek (1942) voor orkest en cello
Vioolconcert nr. 2 (1941)
Lof der lente (tekst Bernard van Meurs, 1942), voor driestemmig gemengd koor
De laatste meistreel, ballade voor vierstemmig gemengd koor (1948)
Marche Triomphale (uitvoeringen bekend in Brussel)
tien symfonieën (nr. 2 is gespeeld in Wenen tijdens een Schubertherdenking (1928); nr. 3 komt uit 1945, nr. 6 is opgedragen aan de Maatschappij tot bevordering der toonkunst van het 125-jarig bestaan in 1954, 7 is opgedragen aan Winston Churchill, nr. 8 aan koningin Elisabeth van België)