| John James Heidegger | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Geboortenaam | Johann Jakob Heidegger | |||
| Bijnaam | the Swiss Count | |||
| Geboren | Zürich, 19 juni 1666 | |||
| Overleden | Richmond, 5 september 1749 | |||
| Geboorteland | Zwitserland | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep | ondernemer, operaproducent | |||
| ||||
John James Heidegger (Zürich, 19 juni 1666 - Richmond, 5 september 1749), geboren als Johann Jakob Heidegger, was een Zwitsers impresario en ondernemer. Zijn carrière speelde zich hoofdzakelijk af in Engeland, waar hij zich onder andere bezighield met de organisatie van feesten en opera's. Hij was enige tijd compagnon van de componist Georg Friedrich Händel.
Heidegger was de zoon van een theologieprofessor uit Neurenberg. Hij trouwde in 1688 maar moest wegens een liefdesaffaire Zwitserland verlaten. Hij trok eerst rond door Europa en kwam in 1707 in Londen terecht, waar hij enige tijd werkte als bewaker van koning Anna.
Heidegger viel al snel op vanwege zijn goede smaak en zakeninstinct. Voor de productie van de pasticcio Tomiri in april 1707 in het theater van Drury Lane verzorgde hij de selectie van de aria's. In 1709 deed hij hetzelfde voor Clotilda, dat werd opgevoerd in het Queen's Theatre. Om zijn financiële problemen op te lossen produceerde Heidegger in 1709 de opera Thomyris, Queen of Scythia van Peter Anthony Mote. De opbrengsten vielen echter tegen.
In 1711 kreeg Heidegger een aanstelling als assistentmanager van het Queen's Theatre. Hij hield zich onder andere bezig met de verkoop van abonnementen voor de opera en het optreden als impresario voor de zangers en zangeressen. In januari 1713 volgde hij noodgedwongen directeur Owen Swiney op, die hals over kop vertrokken was met de opbrengsten van de lopende opera Teseo van Georg Friedrich Händel. De productie ging desondanks door en een maand later werd ook de pasticcio Ernelinda op de planken gebracht. Heidegger probeerde intussen de financiën weer op orde te krijgen.
Heidegger zette tussen 1710 en 1715 zijn naam op een aantal libretto's, waaronder Amadigi van Händel. Overigens zal hij geen inhoudelijke bijdrage hebben geleverd aan deze libretto's.
Vanaf 1710 of 1711 organiseerde Heidegger ook gemaskerde feesten in het Queen's Theatre. Deze bleken al snel razend populair in Londen. Ze waren erg winstgevend en zouden van Heidegger een rijk man maken. Overigens bestond er ook veel weerstand tegen deze evenementen vanwege het losbandige karakter en de aanwezigheid van prostituées. Een grand jury van Middlesex veroordeelde Heidegger in 1723 als verspreider van zonde en immoreel gedrag, terwijl de bisschop van Londen hem hekelde in een preek in 1724. Zijn tegenstanders probeerden de evenementen verboden te krijgen via het parlement. Uiteindelijk kwam er een koninklijke proclamatie tegen de feesten, waarna ze de minder controversiële naam 'bal' kregen. Ondank alle tegenstand gingen de feesten gewoon door en zouden gedurende een periode van ruim 30 jaar erg populair blijven.
Overigens was koning George II beschermheer van de feesten. In 1727 verzorgde Heidegger ook nog eens de verlichting van Westminster Hall ter ere van de kroning van George II.
Toen Händel in 1719 de Royal Academy of Music oprichtte, werd hij hierin door Heidegger ondersteund. In 1720 vond de eerste voorstelling plaats in het King's Theatre (sinds 1714 de naam voor het Queen's Theatre). Heidegger fungeerde als manager van het theater, terwijl Händel de muzikale leiding op zich nam.
In 1728 ging de Royal Academy ter ziele. Een jaar later kregen Händel en Heidegger opnieuw toestemming om opera's te organiseren, die ook nu weer werden uitgevoerd in het King's Theatre. Deze doorstart van de Royal Academy kwam bekend te staan als de Second Academy. In 1734 liep het vijfjarig contract echter af en Heidegger droeg het gebruik van het King's Theatre over aan de concurrerende Opera of the Nobility, zodat Händels gezelschap naar een ander theater moest vertrekken.
De Opera of the Nobility ging in 1737 failliet, waarna Heidegger Händel inhuurde voor een bedrag van 1000 pond voor één operaseizoen. Het volgende operaseizoen 1738-1739 kon niet van start gaan, omdat er te weinig abonnementen waren verkocht. Händel kon het theater uiteindelijk wel gebruiken om oratoria uit te voeren. Pas in 1741 keerden de opera's terug in het King's Theatre, dit keer georganiseerd door Charles Sackville, tweede hertog van Middelsex.
Heideggers echtgenote overleed in 1747; hun vier kinderen waren toen reeds overleden. Heidegger zelf stierf op 5 september 1749 in zijn huis in Richmond. Zijn Engelse buitenechtelijke dochter Elizabeth Pappet kreeg het grootste deel van de erfenis, waaronder een belang in het King's Theatre.
Heidegger is bekend van zijn betrokkenheid bij Händel en de Londense operawereld, maar verdiende daar nauwelijks iets aan. Zijn meest winstgevende onderneming was het organiseren van feesten, zoals de roemruchte gemaskerde bals. Sommige jaren zou hij een inkomen van wel 5000 pond hebben vergaard. Dit geld gaf hij niet alleen uit aan gokken, maar ook aan liefdadigheid. Zo hielp hij arme Zwitserse immigranten financieel vooruit. Na zijn dood schreef de General Advertiser dan ook de lovende woorden dat Heidegger met zijn ene hand geld kreeg van de rijken en het met zijn andere hand weer uitgaf aan de armen.
Heidegger bezat in de jaren 40 een huis in Richmond, nabij het voormalige Richmond Palace. Hij liet het huis in de jaren 1744-1748 decoreren door Antonio Jolli, die ook werkte in het King's Theatre als decorschilder.
Volgens Mary Delany was Heidegger de lelijkste man ooit. Zelf maakte Heidegger hier overigens ook gebruik van: zo won hij de weddenschap dat Lord Chesterfield geen lelijker gezicht kon vinden dan dat van Heidegger.