Kosovo-oorlog

Kosovo-oorlog
Onderdeel van Oorlogen in Joegoslavië
Kosovo-oorlog
Datum 28 februari 1998 - 11 juni 1999
Locatie Kosovo (destijds Servië, Federale Republiek Joegoslavië )
Resultaat Akkoord van Kumanovo:
  • Terugtrekking Joegoslavisch leger
  • Kosovo komt onder internationaal bestuur
Casus belli Albanees separatisme na de door de Joegslavische regering ingetrokken autonome status van Kosovo in 1989
Territoriale
veranderingen
geen de jure, Joegoslavië verliest echter wel het gezag over de autonome provincie Kosovo (Resolutie 1244)
Strijdende partijen
Federale Republiek Joegoslavië Kosovo Liberation Army Bevrijdingsleger van Kosovo

NAVO (vanaf 1999)
Leiders en commandanten
Slobodan Milošević
Dragoljub Ojdanić
Nebojša Pavković
Vladimir Lazarević
Vlastimir Đorđević
Sreten Lukić
Goran Radosavljević
Goran Ostojić (†)
Kosovo Liberation Army Adem Jashari (†)
Kosovo Liberation Army Hashim Thaçi
Kosovo Liberation Army Agim Çeku
Kosovo Liberation Army Sylejman Selimi
Kosovo Liberation Army Jakup Krasniqi
Kosovo Liberation Army Kadri Veseli
Kosovo Liberation Army Rexhep Selimi
Kosovo Liberation Army Ramush Haradinaj

Wesley Clark
Troepensterkte
85.000 soldaten,
20.000 politieagenten,
diverse Servische paramilitaire eenheden,
steun van Russische vrijwilligers
20.000-30.000 guerrillastrijders,
steun van het Albanees leger

1.031 gevechts vliegtuigen
Verliezen
1600-1800 2131
13.535 burgerslachtoffers,
(Albanezen, Serviërs en Roma)

De Kosovo-oorlog (1998-1999) was een gewapend conflict in de destijds autonome provincie Kosovo van de Republiek Servië binnen de Federale Republiek Joegoslavië tussen de Joegoslavische strijdkrachten en het Bevrijdingsleger van Kosovo (UÇK), een etnisch Albanese guerrillaorganisatie. In 1999 intervenieerde de NAVO in het conflict met een vredesmissie. Na de Operatie Allied Force trok het Joegoslavisch leger zich terug uit Kosovo waarna de provincie onder toezicht van de Verenigde Naties kwam te staan.

De oorlog bestond uit drie fases:

  1. 1998-1999: gevechten tussen het Joegoslavisch leger en het Bevrijdingsleger van Kosovo.
  2. 1999: Bombardementen en luchtaanvallen op Servië door NAVO-vliegtuigen tussen 24 maart en 10 juni.
  3. 1999-2000: Massale asielstroom vanuit Kosovo naar het westen, hoofdzakelijk etnische Albanezen, Serviërs en Roma.

Het conflict

Zie Servisch-Albanese betrekkingen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De oorlog in Kosovo was het gevolg van de opgelopen spanning tussen etnische Albanezen, die met ruim 90% de meerderheid in de autonome provincie Kosovo vormden en de Servische autoriteiten, die gezag over Kosovo hadden als onderdeel van de Republiek Servië binnen de Federale Republiek Joegoslavië. De Albanese meerderheid in Kosovo voelde zich al lange tijd onderdrukt door de Joegoslavische regering onder president Slobodan Milošević, waarna het streefde naar onafhankelijkheid van Servië.

Voorgeschiedenis

Al in 1981 vormde een studentenprotest in Pristina de eerste barst die zou leiden tot het uiteenvallen van Joegoslavië. Het protest was aanvankelijk tegen het slechte eten in de universiteitskantine maar groeide uit tot een protest voor meer autonomie nadat Albanezen (vooral in de publieke sector) werden ontslagen op hun werk. In 1985 vond een incident plaats waarbij een Servische boer beweerde door twee Albanezen zwaar te zijn mishandeld, wat nadien betwijfeld werd maar in de destijds gespannen sfeer de wederzijdse animositeit aanwakkerde.

De Servisch-nationalistische koers van de regering van de Joegoslavische president Slobodan Milošević zorgde ervoor dat in andere deelstaten van Joegoslavië de steun voor onafhankelijkheid groeide. Milošević reageerde met verdere repressie. De onafhankelijkheidsverklaringen van achtereenvolgens Slovenië, Kroatië, Bosnië en Macedonië leidden tot oorlog en het uiteenvallen van Joegoslavië in de jaren 90. Tijdens de Joegoslavische oorlogen was er vanuit de internationale gemeenschap aanvankelijk weinig aandacht voor de onderdrukking van de Albanezen in Kosovo. Binnen Servië was sprake van twee provincies met beperkte autonomie: Vojvodina (met onder meer een belangrijke Hongaarse minderheid) en Kosovo (met een belangrijke Albanese meerderheid).

Autonome status

Milošević trok in 1989 de autonome status van de provincie Kosovo in. In 1997 zag Milošević zijn positie bedreigd door de oppositie. De economische misère van de oorlog was verergerd door een internationale boycot. Grootschalige corruptie en misdaad hadden de meeste Serviërs van hem vervreemd. Milošević reageerde opnieuw door het nationalisme aan te wakkeren, ditmaal gericht tegen de Albanezen in Kosovo. Milošević wakkerde de spanningen tussen Serviërs en Albanezen verder aan tijdens een toespraak ter gelegenheid van de herdenking van de Slag op het Merelveld.

De Albanezen riepen in 1991 de provincie uit tot een onafhankelijke staat maar deze werd internationaal alleen erkend door Albanië. Het Albanese verzet tegen de Servisch-nationalistische regering van Joegoslavië organiseerde zich onder leiding van Ibrahim Rugova ondergronds. Er ontstond een schaduwsamenleving die onafhankelijk was van de "bovengrondse" door de Serviërs geleide samenleving. De Albanese schaduwsamenleving in Kosovo kende een eigen regering en parlement, een universiteit, scholen, ziekenhuizen en zelfs een systeem van sociale zorg. Dit werd gefinancierd door middel van een eigen belastingstelsel en met behulp van Albanezen die in het buitenland werkten (de Albanese diaspora).

Oprichting van het UÇK

Tegelijkertijd radicaliseerde een deel van de Albanese bevolking, die aanvoerde dat acht jaar van vreedzaam verzet geen enkel resultaat en geen enkele verbetering had opgeleverd. Zij richtten in februari 1996 het UÇK op, dat brak met het pacifisme van Rugova en dat de wapens opnam tegen de Serviërs. Er volgden aanslagen op Servische militaire doelen (legerkazernes en politieposten), Servische burgers en boeren, de Roma-bevolking, en op Albanezen die van collaboratie werden verdacht. Het UÇK beschikte over meerdere gevangeniskampen in Kosovo, maar ook in buurland Albanië, waar burgers en politieke tegenstanders naartoe vervoerd werden.

Kosovo-oorlog

In februari 1998 antwoordde Belgrado op de aanvallen van het UÇK met een groot militair offensief om het UÇK uit te schakelen. Het Joegoslavisch leger, maar ook Servische paramilitaire eenheden trokken Kosovo binnen. Hierna volgden verschillende veldslagen met het UÇK; welke als guerrillaorganisatie vocht in de hit-and-run-tactieken, waarbij het het aan man- en vuurkracht superieure Joegoslavisch leger probeerde te ontregelen. Strategisch gezien was het UÇK vooral succesvol in het in stand houden en uitbreiden van de gewapende opstand. Het Servische offensief richtte zich echter niet alleen op de uitschakeling van het UÇK; ook de Albanese burgerbevolking moest het ontgelden. De missie had de benaming Operatie hoefijzer, in deze operatie was het de bedoeling dat het Joegoslavisch leger de Albanese bevolking in Kosovo zou verjagen naar Albanië. In de periode maart tot juni 1999 verdreven Servische troepen meer dan 700.000 etnische Albanezen.De Verenigde Staten bestempelden het UÇK aanvankelijk als terroristische organisatie, maar veranderden hun standpunt wegens Milošević' harde optreden. Samen met NAVO steunden de VS (en Albanië) op allerlei manieren (diplomatiek en door wapensmokkel) de strijd van het UÇK. De Serviërs werden beschuldigd van etnische zuivering en de internationale gemeenschap greep in. Men probeerde Milošević eerst via diplomatieke wegen tot andere gedachten te brengen.

Verwoesting in Kosovo, 1999
De stad Novi Sad gedurende de luchtaanvallen op Servië, 1999

In oktober 1998 werd er een akkoord bereikt, dat echter direct daarna werd geschonden. Er volgde een Kosovo-conferentie in het Franse Rambouillet in februari 1999. Hier ontstond het plan om Kosovo voor een periode van drie jaar zelfbestuur te verlenen, maar geen onafhankelijkheid. De Kosovaren tekenden het plan in maart 1999, op een vervolgconferentie in Parijs. Omdat het plan ook een NAVO-troepenmacht in Kosovo inhield bleven de Serviërs weigeren; de bezetting van Servisch grondgebied door buitenlandse troepen achtten ze onaanvaardbaar. Ook na dreiging met NAVO-luchtaanvallen ging Servië niet akkoord.

Terugtrekking Joegslavisch leger

Eind maart volgden die luchtaanvallen, waarvoor overigens niet de toestemming van de VN-veiligheidsraad was gevraagd. De doelen van de luchtaanvallen waren zowel militair als civiel: bruggen, spoorlijnen, chemische fabrieken en zelfs een televisiezender in Belgrado werden door NAVO-vliegtuigen gericht bestookt en verwoest. Ook de Chinese ambassade in Belgrado werd geraakt, wat tot een diplomatiek incident leidde. Na 78 dagen van bombardementen op Servische doelen in heel Servië, Montenegro en Kosovo tekende Belgrado het Akkoord van Kumanovo, waarmee de terugtrekking van het Joegoslavisch leger en de Servische politie uit Kosovo een feit werd.

Oorlogsmisdaden

Joegoslavische generaal Nebojša Pavković; veroordeeld tot 22 jaar celstraf.
UÇK-opperbevelhebber Hashim Thaçi; veroordeeld tot 25 jaar celstraf.

Joegoslavische oorlogsmisdaden

Zie Joegoslaviëtribunaal voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Tijdens de oorlog gebruikten het Joegoslavisch leger, Servisch politiekorps en Servische paramilitairen buitensporig geweld tegen de Albanese bevolking. Dit resulteerde onder meer in etnische zuiveringen en verdrijvingen met als gevolg de dood van 8.676 Albanese burgers en ongeveer 850.000 Albanese vluchtelingen. Toenmalig president Slobodan Milošević werd verdacht van meerdere oorlogsmisdaden, maar tijdens de lopende rechtszaak overleed hij in maart 2006 in zijn cel. Meerdere commandanten van de Servische troepen werden eveneens vervolgd voor hun aandeel.

De volgende negen personen werden aangeklaagd voor het tribunaal:

Oorlogsmisdaden UÇK

Zie Kosovotribunaal voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Bevrijdingsleger van Kosovo was eveneens verantwoordelijk voor verschillende oorlogsmisdaden, zoals op de Servische en Roma-bevolking, maar ook op politieke Albanese tegenstanders. Gedurende de oorlog werden 1196 Serviërs en 445 Roma vermoord en vluchtten 200.000 Serviërs en 90.000 Roma uit Kosovo.Ten minste 96 politieke tegenstanders zouden door het UÇK zijn geëxecuteerd.

De volgende zes personen werden aangeklaagd voor het Kosovotribunaal:

De volgende zeven personen werden eerder aangeklaagd voor het Joegoslaviëtribunaal:

Militaire verliezen

Volgens de Servische regering sneuvelden tijdens de veldslagen met het Bevrijdingsleger van Kosovo 381 Joegoslavische soldaten en 243 Servische politieagenten; in totaal 624. 1.008 Joegoslavische soldaten zouden zijn gesneuveld door toedoen van de NAVO tijdens de Operatie Allied Force. De NAVO claimt een verlies van 1200 Joegoslavische soldaten tijdens deze missie.

De verliezen van het Bevrijdingsleger van Kosovo lopen op tot 2131 gesneuvelden.De NAVO heeft geringe verliezen geleden, wel werden enkele gevechtsvliegtuigen neergehaald door de Joegoslavische luchtverdediging.

Veldslagen

Veldslagen tussen het Joegoslavisch leger en het Bevrijdingsleger van Kosovo:

Zie de categorie Kosovo War van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.