| Bijkomende zenuw | ||||
|---|---|---|---|---|
| nervus accessorius | ||||
| Zenuw | ||||
Schema van de bovenste delen van de n. glossopharyngeus, n. vagus en de n. accessorius | ||||
| Verloop | ||||
| Innervatie | m. sternocleidomastoideus m. trapezius | |||
| Naslagwerken | ||||
| Gray's Anatomy | 206,913 | |||
| MeSH | A08.800.800.120.060 | |||
| ||||
De nervus accessorius CN. XI is de elfde craniale of hersenzenuw. De zenuw wordt ook de bijkomstige of bijkomende zenuw genoemd. De CN. XI heeft zich uit de kieuwboogzenuwen van lagere gewervelden ontwikkeld. De nervus accessorius is zowel een sensorische als motorische zenuw en volgens de laatste wetenschappelijke onderzoeken heeft deze zenuw ook sensibele vezels. De nervus accessorius innerveert enkele halsspieren, de m. sternocleidomastoideus en m. trapezius of monnikskapspier en zorgt er zo voor dat wij ons hoofd kunnen draaien en onze schouders ophalen. De zenuw ontspringt als enige hersenzenuw uit het ruggenmerg. De ramus externus is de grote spinale tak die naar de monnikskapspier doorloopt.
Schade aan de nervus accessorius leidt tot ipsilaterale zwakte in de monnikskapspier. Dit kan worden getest door de patiënt te vragen zijn schouders op te halen. Wanneer de CN. XI is beschadigd, kan dit ertoe leiden dat die zijn schouderblad niet kan optillen. Alleen de schouderbladheffer is er daar nog voor, maar die is niet sterk genoeg. Afhankelijk van de plaats van de laesie kan er ook zwakte in de musculus sternocleidomastoideus ontstaan, die wordt gebruikt om het gezicht naar weerskanten van het lichaam te draaien.
Bij meer schade aan de nervus accessorius staat het hoofd scheef. De arm kan niet meer boven 90° worden opgeheven.