Nervus trochlearis

Katrolzenuw
Nervus trochlearis
Zenuw
Nervus trochlearis
Nervus trochlearis
Synoniemen
Latijn nervus patheticus
Nederlands rolzenuw, vierde hersenzenuw, IVe hersenzenuw, katrolspierzenuw
Verloop
Innervatie musculus obliquus superior bulbi
Naslagwerken
Gray's Anatomy 199,885
MeSH A08.800.800.120.800
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De nervus trochlearis, in het Nederlands katrolzenuw, afgekort tot CN. IV, is de vierde van de twaalf hersenzenuwen. Het is een motorische zenuw. De nervus trochlearis innerveert de bovenste schuine oogspier, de katrolspier, een van de uitwendige oogspieren. De spier werkt op een manier die met een katrol kan worden vergeleken.

De nervus trochlearis is samen met de m. obliquus inferior een van de twee schuine oogspieren die de meest complexe invloed hebben op de bewegingen van het oog. Het effect ervan is mede afhankelijk van de stand van het oog.

De nervus trochlearis onderscheidt zich van de andere hersenzenuwen op de volgende manieren:

De drie oogzenuwen, de nervus oculomotorius CN. III, nervus trochlearis CN. IV en nervus abducens CN. VI sturen samen de oogbeweging aan.

De vezels ontspringen uit de nucleus nervi trochlearis, die in de middenhersenen onder het aquaduct van Sylvius ligt, op de hoogte van de vierheuvelplaat. De vezels lopen in een boog dorsaalwaarts, kruisen over het aquaduct van Sylvius en gaan aan de onderrand van de vierheuvelplaat de middenhersenen uit. De zenuw gaat aan de dorsale kant de hersenstam uit, loopt in de subarachnoïdale ruimte naar beneden naar de schedelbasis, waar hij lateraal aan de rand van het tentorium de dura mater in gaat, en loopt verder door de laterale wand van de sinus cavernosus, waar de zenuw samenkomt met de andere oogzenuwen, met de oogbewegingszenuw en de nervus abducens en de eerste twee aftakkingen van de nervus facialis. De zenuw komt door de fissura orbitalis superior de oogkas in.

Bij een nervus trochlearis parese ziet de patiënt gekruiste dubbelbeelden. Schade aan een van de drie oogzenuwen in het algemeen kan de beweging van de oogbal aantasten. Eén of beide ogen kunnen worden aangetast, maar in beide gevallen treedt waarschijnlijk diplopie, dubbelzien op omdat de bewegingen van de ogen niet meer synchroon zijn. Wanneer de ogen niet samenwerken, komt dit waarschijnlijk door schade aan een hersenzenuw of aan de bijbehorende nuclei.