
Oceanus Procellarum is de grootste van de maria op de Maan. De mare bevindt zich aan de westkant van de naar de Aarde toe gerichte zijde van de Maan.
Oceanus Procellarum heeft een oppervlakte van 4 miljoen km² en is van noord naar zuid zo'n 2500 km breed. Zoals alle maria werd de Oceanus Procellarum gevormd door vloedbasalten die een groot deel van het maanoppervlak bedekten met een gladde laag donkere gestolde lava. Anders dan de andere maria is de Oceanus Procellarum echter niet beperkt tot een duidelijk inslagbekken. Langs de randen liggen veel kleine "baaien" en "zeeën", waaronder de Mare Nubium en de Mare Humorum in het zuiden. In het noordoosten wordt de Oceanus Procellarum van de Mare Imbrium gescheiden door de Montes Carpatus. In het noorden ligt de "baai" Sinus Roris.
De allereerste benaming voor dit gebied was afkomstig van William Gilbert die het Insula Longa noemde.
Pierre Gassendi gaf er de benaming Eoum Mare aan.
Michael van Langren noemde dit gebied Oceanus Philippicus .
Johannes Hevelius gaf aan het westelijk gedeelte van Oceanus Procellarum de benaming Mare Eoum . Aan het noordwestelijke gedeelte gaf hij de benaming Paludes Orient . Aan de zuidelijke en zuidwestelijke gedeelten ervan gaf hij respectievelijk de benamingen Mare Aegyptiacum en Mare Syrticum .
De door de Internationale Astronomische Unie (IAU) officieel erkende benaming Oceanus Procellarum is afkomstig van Giovanni Battista Riccioli . Deze benaming (Latijn voor oceaan der stormen) komt van het bijgeloof dat wanneer de mare zichtbaar werd tijdens het Laatste Kwartier er slecht weer op komst was.
Gassendi's benaming Mare Eoum (oostelijke zee, of zee van de dageraad) werd ook door Hevelius gebruikt.
In hun pre-ruimtevaart boek en maanatlas The Moon - A Complete Description of the Surface of the Moon (1955) introduceerden de Welshe selenograaf Hugh Percy Wilkins en de Britse maanwaarnemer Patrick Moore, tevens assistent van H. P. Wilkins, een honderdtal nieuwe namen voor hoofdzakelijk kraters. Op slechts twee na werden nagenoeg alle namen niet officieel erkend verklaard door de Internationale Astronomische Unie (IAU), maar zijn wel nog terug te vinden op oudere maankaarten zoals de Zwitserse Hallwag maankaart van Hans Schwarzenbach. Ook in Oceanus Procellarum komen enkele van de namen van Wilkins en Moore voor:
Met de komst van NASA's Apolloprogramma werden in Oceanus Procellarum een aantal nieuwe en door de Internationale Astronomische Unie (IAU) officieel erkende namen toegevoegd. Deze namen hadden de bedoeling bepaalde oppervlaktestructuren beter herkenbaar te maken op de Lunar Topographic Orthophotomaps en de Lunar Topophotomaps. Deze zeer gedetailleerde kaarten werden samengesteld aan de hand van de hogeresolutiefoto's afkomstig van de Fairchild mapping/metric cameras en de Itek panoramic cameras aan boord van de SIM bays (Scientific Instruments Module bays) van de in omloop rond de maan draaiende Command / Service Modules van Apollo 15, Apollo 16, en Apollo 17. De nieuwe benamingen, in Oceanus Procellarum, werden hoofdzakelijk gegeven aan mareruggen en uiterst kleine kratertjes in de buurt van het Aristarchus plateau en ten noorden van Mare Humorum. Een beperkte hoeveelheid van de namen voor deze kleine kratertjes is terug te vinden in Antonín Rükl's Atlas of the Moon (Hamlyn, 1991).
De Amerikaanse uitgever van geografische kaarten Rand McNally heeft op diens maankaart in het gebied van Oceanus Procellarum een aantal namen toegevoegd die niet officieel werden aanvaard door de Internationale Astronomische Unie (IAU). Diezelfde namen zijn ook terug te vinden in de gelijkaardige maankaart die is verschenen in Patrick Moore's Atlas of the Universe, 1983. Het betreft de namen Andreus Hills ten noorden van Mare Humorum, de Leon Hills ten noorden van de komvormige krater Wichmann, en de Lothrop Hills ten zuidwesten van krater Euler.
De onbemande maanlanders Loena 9 en 13 (Sovjet-Unie), Surveyor 1 en 3 (Verenigde Staten) en Chang'e 5 (China) landden in de Oceanus Procellarum, net als de bemande Apollo 12 met aan boord de astronauten Charles Conrad, Jr. en Alan Bean.
De komvormige krater Rümker E, ten zuiden van de heuvelachtige koepelformatie Mons Rümker in het noordelijk gedeelte van Oceanus Procellarum, toont op diens vloer een chaotisch ogende verzameling puin en rotsblokken, alsook een concentrisch systeem van breuklijnen en scheuren die aan gletsjerspleten of crevasses doen denken. Dit soort crevasses komt zeer veelvuldig voor op de maan, vooral op de bodems van relatief jonge inslagkraters zoals Aristarchus, Copernicus, en Tycho, en zijn sedert 2009 met behulp van de rond de maan draaiende Lunar Reconnaissance Orbiter (LRO) in detail gefotografeerd.
In Oceanus Procellarum bevindt zich een zogenaamde haard van kortstondige verschijnselen van veranderlijke aard (Transient Lunar Phenomena, TLP). Deze haard liet menig maanwaarnemer in het verleden roodachtige vlekken zien in de buurt van de noordwestelijk gelegen krater Lichtenberg.
Het zuidwestelijk gedeelte van het gebied net buiten de rand van de relatief jonge komvormige krater Lichtenberg B ten oostnoordoosten van krater Lichtenberg toont duidelijke sporen van gestolde lava die zich in semi vloeibare toestand allerlei wegen heeft gebaand over de kraterrand. Verschillende radiaal gerichte langwerpige tongen van deze gestolde lava kunnen via de hogeresolutiefoto's, afkomstig van de Lunar Reconnaissance Orbiter (LRO), worden opgespoord en onderzocht. De bodem van deze krater toont een chaotisch ogende vloer vol rotsblokken en puin, alsook enkele vlakke gebiedjes.
Ten noordwesten van Aristarchus in Oceanus Procellarum bevindt zich een gebied dat er tijdens en na Volle Maan enigszins gelig-groenachtig of mosterdkleurig uitziet. Dit is dan ook het meest gekleurde gebied op de maan. Dit gebied kreeg de naam Aristarchus plateau, alsook de bijnaam Wood's Spot omdat het gefotografeerd werd door de Amerikaanse onderzoeker in optica Robert W. Wood. Hij fotografeerde dit gedeelte van de maan doorheen een violet-filter en kon aldus bepalen in hoeverre het afweek van de normale kleurbalans van het maanoppervlak. Elke amateur astronoom of maanwaarnemer kan dit gekleurde gebied met gemak waarnemen. De beste periode om de opmerkelijke kleur ervan te zien te krijgen is tijdens en na Volle Maan, tot een dag of twee na Laatste Kwartiers Maan.
Het chaotisch ogend gebied ten noordnoordwesten van de krater Marius in het centrale gedeelte van Oceanus Procellarum wordt gedomineerd door ongeveer 300 koepelheuvels en vulkanische kegels, alsook allerlei U vormige heuvels, vreemdsoortige depressies, en kronkelig uitziende rillen.
Een 200 km lange rille, Rima Suess, genoemd naar de zich in de nabijheid daarvan bevindende komvormige krater Suess, slingert zich een weg tussen de kraters Kepler en Reiner, ten zuidoosten van krater Marius. Deze rille vertoont tal van meanders en ook een groep hoefijzermeren. Rima Suess kan niet worden waargenomen met behulp van kleine amateurtelescopen, maar vereist krachtige telescopen, een hoogstaande maan, en uitstekende seeing. De ochtendterminator (lokale zonsopkomst) moet zich ten westen van Rima Suess bevinden, teneinde de bedding van deze rille in voldoende schaduw te zetten om aldus het contrast beter zichtbaar te maken. Waarnemers op het noordelijk halfrond die de afnemende maansikkel in de ochtendhemel bestuderen, gedurende de late zomermaanden en vroege herfst, kunnen Rima Suess het best observeren als de avondterminator (lokale zonsondergang) zich ten oosten van deze rille bevindt.
Ten westen van de krater Reiner in Oceanus Procellarum bevindt zich de formatie Reiner gamma, een wervelstruktuur die volgens Engelstalige maanwaarnemers goed lijkt op een mondharp. Deze formatie kreeg bijgevolg de bijnaam Jew's Harp. Wervelstrukturen zoals Reiner gamma komen voornamelijk op de achterzijde van de maan voor, in het bijzonder in Mare Ingenii. Ook in het gebied tussen de kraters Argelander en Delaunay op de naar de aarde toegekeerde kant van de maan, in de vlakte die op de Rand McNally maankaart de benaming Loró Basin heeft gekregen, is een wervelstruktuur te zien. Wervelstrukturen zijn het best waarneembaar tijdens volle maan, omdat de schaduwen van de kraterranden en de maanbergen tijdens deze maanfaze afwezig zijn.
Een minder opvallende wervelstruktuur met de vorm van de letter B bevindt zich in het zuidwestelijk gedeelte van Oceanus Procellarum, op 54° West / 7° Zuid.
Een betrekkelijk klein wervelstructuurtje dat qua vorm doet denken aan de Fleur de lis bevindt zich ten oosten van de komvormige krater Lohrmann A en ten noorden van de eveneens komvormige krater Grimaldi C aan de westelijke rand van Oceanus Procellarum. Krachtige telescopen zijn vereist om dit wervelstruktuurtje alsnog te zien te krijgen. Dit object kreeg van de Amerikaanse maandeskundige en vulkanoloog Charles A. Wood de bijnaam Swirlette. Zowel Lohrmann A als Grimaldi C kunnen tijdens en na volle maan opgemerkt worden als twee helderwit uitziende kratertjes tegen de achtergrond van de betrekkelijk donkere Oceanus Procellarum.
Het interieur van Hermann A, een komvormige krater ten noordwesten van de grotere krater Hermann in Oceanus Procellarum, is een uniek verschijnsel op de maan. De binnenhellingen van Hermann A tonen een tweede en iets kleinere excentrisch geplaatste kraterrand. Deze tweede kraterrand verenigt zich met de grotere eigenlijke kraterrand aan het oostelijk gedeelte van Hermann A, en vertoont de grootste deviatie aan het westelijk gedeelte van de binnenhellingen, waardoor de tweede kraterrand in het geheel niet horizontaal geplaatst is. Krater Hermann A bevindt zich een halve graad ten noorden van de evenaar op de maan.
Op 56° 30' West / 4° Zuid, tussen de kraters Damoiseau E en Damoiseau G in het zuidwestelijk gedeelte van Oceanus Procellarum, bevindt zich een naamloos heuvelbergje, of eilandje, met diameter 2 kilometer. Dit heuvelbergje is een geschikt waarneem object om de capaciteit van de telescoop te testen. Tijdens de lokale zonsopkomst (ochtendterminator) vertoont dit heuvelbergje zich als een lichtpuntje omgeven door het donkere maanoppervlak. Op kaart 26 in de uit orbitale foto's bestaande 21st Century Atlas of the Moon (Wood / Collins), kan dit wit uitziend minuscuul klein heuvelbergje nog net opgespoord worden, met behulp van een vergrootglas.
De hogeresolutiefoto's afkomstig van de Lunar Reconnaissance Orbiter (LRO) laten zien dat er op de noordelijke flank van dit heuvelbergje twee rotsblokken liggen met diameters rond de 20 meter.
De betrekkelijk kleine komvormige krater Herigonius K aan het grillig uitziend rillesysteem Rimae Herigonius, in het uiterste zuidoostelijke gedeelte van Oceanus Procellarum, ten noorden van Mare Humorum, toont aan diens noordelijke rand een donkere noordnoordoostwaarts wijzende langwerpige tong van gestolde uitgeworpen lava. Deze donkere langwerpige tong, of band, kan met behulp van krachtige telescopen vanop aarde worden waargenomen. De ware aard van deze donkere band is pas aan het licht gekomen tijdens het maken van de hogeresolutiefoto's van het maanoppervlak, met behulp van de rond de maan draaiende Lunar Reconnaissance Orbiter (LRO). De detailfoto's tonen op een bepaalde plaats in deze gestolde lavatong een verrassend vlak gebied waar zo goed als geen enkele struktuur of oneffenheid in te zien is. De randen van deze lavatong tonen duidelijk aan dat er ooit semi vloeibaar materiaal over het maanoppervlak heeft gestroomd.
De vrij jonge inslagkrater Ohm op de westelijke achterzijde van de maan is omhuld door een chevronvormig stralenstelsel, waarvan het uiteinde van de oostelijke straal zich tussen de kraters Briggs en Lichtenberg in het noordwestelijk gedeelte van Oceanus Procellarum bevindt, alsook net ten noorden van de zo goed als volledig door lava overspoelde kraterrestant Russell. Dit uiterst zwak zichtbare uiteinde kan enkel waargenomen worden tijdens zeer gunstige libratiestand van de maan, en vergt een doorgedreven kennis betreffende de verschijningsvorm van dit uiterst westelijke gebied in Oceanus Procellarum.
Het westelijk gedeelte van Oceanus Procellarum toont een aantal noordoostwaarts gerichte stralen van de jonge inslagkrater Glushko (Olbers A) aan de westelijke rand van de naar de aarde toegekeerde kant van de maan. Vooral de gedeelten nabij kraters Cardanus, Seleucus, en Schiaparelli vallen tijdens en na volle maan onmiddellijk op.
Kort na het beëindigen van het Apolloprogramma (NASA) werd een reeks gedetailleerde maankaarten gemaakt aan de hand van honderden orbitale hogeresolutiefoto's van het maanoppervlak, genomen tijdens de drie wetenschappelijke missies Apollo 15, Apollo 16 en Apollo 17. Een aantal van deze kaarten tonen kleine en uiterst kleine segmenten van Oceanus Procellarum.